Auteursarchief: Leo Pauw

De zwartkop

Herfst. Het regende, de lucht was zwaar en grauw. In elke andere omgeving zou zo’n dag een loden depressie opleveren. Maar niet hier in het paradijs. Ik was alleen thuis. Terwijl ik zat te werken aan mijn bureautje vloog er opeens een vogeltje tegen het raam. Ik opende het raam en zocht op de grond, waar ik het arme beestje vermoedde. Daar lag hij, half verscholen onder de hortensia. Hij of zij leefde nog wel, maar was duidelijk beduusd van de klap. Een onbekend vogeltje. De rug grijsbruin, een wat lichtere grijze buik en hals, en vooral een mooi koperkleurig kapje op zijn kop. Mijn gidsje, dat ik er snel bij pakte, vertelde mij dat het een vrouwelijk exemplaar van de zwartkop moest zijn. Het was een zij dus. Toen ik even later nogmaals keek, was ze verdwenen.

Ik werkte weer door, iets lichter dan daarvoor. Na verloop van tijd werd het ook buiten wat lichter en brak zelfs de zon door. Ik besloot het werk te laten voor wat het was en de middag verder aan de haag te besteden. Snoeien. Een van die heerlijke herfstklussen. Het is een lange haag van een meter of tachtig, bestaande uit allerlei soorten planten als hazelaar, kornoelje, lijsterbes, Gelderse roos, haagbeuk en meidoorn. Zelf geplant toen we hier kwamen wonen, om het typisch Franse hek bestaande uit betonnen paaltjes en wit gaas aan het zicht te onttrekken. De haag scheidt ons terrein van het langslopende weggetje. Er komt een paar keer per dag een auto langs. Verder niets. Alleen maar geluid van vogels, van een opspringende karper in het meer aan de overkant. Soms steekt er een ree over, en heel soms rent er piepend een jonge boommarter voorbij.

Ik pakte alle benodigde spullen, zoals de elektrische heggenschaar, verlengsnoeren, een keukentrap en een snoeischaar. Zette alles klaar, klom op mijn trapje, en begon de haag te snoeien. Stukje bij beetje. Ik laat de haag altijd te lang doorgroeien, zodat ik er niet meer staande bij kan. Dus moet ik telkens op een keukentrapje klimmen en de zware elektrische heggenschaar boven mijn macht zo ver mogelijk van mij af houden om zo overal bij te kunnen. Vermoeiend. Meestal knip ik dan ook, zo tegen het einde van de klus, als ik echt moe word, het verlengsnoer doormidden, zodat de stoppen doorslaan en ik weer een half uurtje kwijt ben aan het repareren van het snoer. Zo kom ik mijn dagen wel door hier. 

   Enfin. Ik werkte mij in het zweet, en trok steeds meer kleren uit. Af en toe ging ik op mijn keukentrapje zitten, en keek langdurig in het rond. Niemand. En toch, in die door God gegeven rust, kwamen opeens, uit het niets, twee dames aanlopen. Als twee vreemde feeën, gekleed in lange rokken tot de enkels, met in hun handen allebei een boekje. Het was mij, zonder dat ze nog een woord gesproken hadden, meteen duidelijk dat ik hier te maken had met een Franse versie van de Jehova-getuigen. Het had even geduurd, maar ze hadden me hier dan toch gevonden! 

   Waar ze vandaan kwamen? Het leek alsof ze door God zelf uit de hemel waren neergelaten, om mij op deze mooie middag wat dichterbij een eeuwig leven te brengen. Ik zag ze komen, en klom desondanks op mijn trapje. In mijn korte broek, met nog een enkel hemdje aan. In vergelijking met de dames behoorlijk naakt, zal ik maar zeggen. Maar ondanks mijn pogingen om te doen alsof ik niets in de gaten had, en stug doorwerkte, was er geen ontkomen aan. Ik was hun doel. Toen ze vlakbij waren, en mij aankeken, zei ik ze in mijn beste Frans beleefd gedag. 

   “Veel werk, zo’n haag”, zo opende de langste dame de conversatie. “Zeker. C’est du boulot!” “Wel mooi weer”, voegde de kleine toe. “Dat is waar”, beaamde ik. Zo ging het even door. De beide dames hadden zachte, zoetgevooisde stemmen. Vleierig complimenteerden ze mij met mijn Frans. “Zoveel beter dan de Engelsen”, zei de kleinste van de twee. Geschrokken door de impulsiviteit van haar collega, haastte de lange statige dame verontschuldigend te vragen of ik wellicht een Engelsman was. “Non, Hollandais.” Ah, ze pakte direct door. “Kent u de bijbel?” “Maar natuurlijk. Wie niet?” Ze toonde mij de boekjes die ze in hun handen hadden, en legde uit dat in die boekjes stond geschreven dat het einde der tijden was aangekondigd. Op 20 december aanstaande, om precies te zijn. “Dat zou jammer zijn”, mompelde ik. Dat vond zij ook. Maar, zo vulde ze mij aan, in die boekjes stond ook geschreven dat er een uitweg was! Verwachtingsvol keek ze mij aan. Ik begreep dat het mijn beurt was, draaide er wat omheen en zei dat mijn Frans misschien op het eerste gezicht wel wat leek, maar dat het lezen van Frans voor mij toch nog wel gecompliceerd was. “Oh, dat geeft niets. Met plezier stuur ik u een paar adressen in Nederland, waar ze u van diezelfde boekjes in uw eigen taal kunnen voorzien”, riposteerde zij soepel. De kleine knikte mij stimulerend toe.

   Ik greep mijzelf bij elkaar, klom van mijn trapje af en maakte de dames op mijn meest tactvolle manier duidelijk dat ik – helaas, helaas – geen enkele interesse had in hun ongetwijfeld zeer ware woorden. Ze knipperden zelfs niet even met hun ogen. “Geeft niets. Je vous souhaite une bonne journée!” Ik had ze in één klap overtuigd van het feit dat er niet veel viel te halen bij deze halfnaakte, zweterige Hollander. Zonder een spoor van teleurstelling of ergernis, wandelden ze, even vriendelijk als ze waren gekomen, weer weg. Ik keek ze na, min of meer verwachtend dat ze zouden opstijgen, maar dat deden ze niet, tenminste niet voordat ze achter de bocht van het weggetje waren verdwenen. 

   Ik pakte de heggenschaar, klom op mijn trapje en ging verder met de haag. Een meidoorn prikte me ongenadig in mijn vinger. Gods straf? Waar het vandaan kwam weet ik niet, maar ik mompelde opeens een zin uit The Jewel in the Crown, de ultieme roman van Paul Scott over het einde van de Britse hegemonie in India: ‘There is no God, not even on the road from Dibrapur.


Bovenstaande tekst is in bewerkte vorm eerder gepubliceerd in Smeltende sneeuw.

De kerkdienst

Om kwart over twee reden we de hoofdstraat van het dorp in. Bij de zijstraat naar het kerkje stond een mannetje van de gemeente – herkenbaar aan een fel geelgroen fluorescerende broek – het verkeer te regelen. Ik denk dat het een van de vuilnismannen was. Zo veel gemeentelijke ambtenaren hebben ze hier niet. Ik parkeerde de auto voor de school, om precies te zijn voor de jongensschool, onder de letters Garçons. Het grote gebouw bevat in het midden de mairie, rechts de meisjesschool, en links dus de jongensschool. We staken het plein te voet weer over en liepen terug naar de ingang van het kerkje. Een prachtig monumentaal klein kerkje uit de 15e eeuw. Precies op dat moment begonnen de klokken te luiden. Ter ere van René. René was twee dagen eerder overleden. Op de dag dat hij 87 jaar geleden geboren werd, kwam er in een ziekenhuis in Limoges in de vroege ochtend een einde aan zijn leven. Zijn hart was op. Direct nadat Gérard het ons was komen vertellen, reden we naar Emie, zijn kleine, kromgegroeide weduwe. ‘Présenter nos condoléances’, zoals het hier hoort. Ze was alleen thuis, en scharrelde wat in haar keuken. Het vuur in de schouw was uit. Dat was altijd het werk van René. Altijd, elke dag, zomer of winter, de hele dag brandde er een houtvuur. ’s Ochtends om zes uur maakte hij het aan, en zorgde er de rest van de dag voor dat het exact de juiste temperatuur opleverde. In de winter lekker warm, in de zomer licht smeulend om de ochtend- en avondkou wat weg te houden. Nu niets, geen hout en geen vuur. De ogen van Emie waren rood van het huilen. Ze zoende ons vol op de wangen. Ach, arm vrouwtje. Ze waren 61 jaar samen! En nu alleen verder. Ze had er niet veel zin meer in, zei ze. “Je m’occupe”, zegt ze. Ik hou mezelf wel bezig. “Le jardin, mes poules, un peu de bricolage, enfin.” Maar als dat niet meer kan, hoeft het voor haar niet meer. Ze prevelde nog wat in haar zelf toen we afscheid namen.

   René vertegenwoordigde de geschiedenis van onze plek hier. Vrijwel zijn hele leven bracht hij hier door, in deze ‘coin’. Hij liep – in de jaren dertig van de vorige eeuw – als jongetje op houten klompjes over de modderige karrensporen door de velden naar school, vijf kilometer verderop. Hij had dit land nog gekend toen het nog in een bijna voorindustriële fase verkeerde. Arm, geïsoleerd. Hij nam de boerderij van zijn vader over, en werkte in het begin voor de baron. Later kocht hij zijn eigen stukje land, zijn eigen koeien, en bouwde langzaam maar zeker aan een steeds beter bestaan. Toen ik hem leerde kennen, ruim twaalf jaar geleden, was hij al gepensioneerd en had hij zijn koeien al verkocht. Hij deed nog in hout. In de streek stond hij bekend om zijn hout, en om zijn vaardigheid in het kappen van bomen. Ook wij hadden hem weleens te hulp geroepen om een lastige boom in ons bos om te halen. Hij was beminnelijk, met altijd een lichte glimlach om zijn lippen. Hoewel inmiddels wat krom van al het werken, zag je in hem nog dat hij vroeger een elegante man was geweest. Telkens als we hem na een tijdje weer zagen, riep hij verheugd: “Ah, vous êtes revenues!” Met zijn pretoogjes keek hij je dan intens aan, en zakte wat door zijn knieën, alsof hij de slappe lach kreeg. 

   Groepjes mensen stonden verspreid met elkaar te praten rond de ingang van de kerk. Gemiddelde leeftijd boven de zeventig, zo te zien. Wel veel, ik denk bij elkaar een kleine honderd. Een pittoresk gezicht. De oude dorpskern is rond het 15e-eeuwse kerkje gebouwd, vijftig meter van het kasteel. De herfstzon scheen op de grote toren van het kasteel. René had een mooie dag voor zijn begrafenis uitgekozen. Terwijl we aan kwamen lopen, zagen we Gérard staan naast zijn huurster, Florence. Buurvrouw Durand kwam op ons af om ons gedag te zeggen. Verder kenden we niemand, behalve een paar bekende gezichten uit de streek. Wie elkaar kende, liep op elkaar af en schudde handen of kusten elkaar. Hier gelukkig niet, zoals tegenwoordig in Nederland, de dagelijkse vrijetijdskleding op een begrafenis. Geen Lacoste polo’s, geen sneakers. Gewoon het zondagse zwarte jack. Een enkele man in een te ruimvallend colbert.

   Na een tijdje kwam de auto met de kist voorrijden. Drie mannen van de begrafenisonderneming stapten uit. Ze haalden eerst de ‘brancard’ eruit, waar de kist op kon rusten, vervolgens de kist zelf, en plaatsten die op het onderstel. Zo stond daar de kist, en lag daar René, vlak voor de open deuren van het kerkje. Toen nog de bloemen op de kist. Waarna ze zich naast elkaar met hun rug naar de auto en met hun gezicht naar de kist en naar de groepjes mensen opstelden. Ze hadden alle drie hetzelfde kostuum aan, een zwart colbert en een grijze pantalon. Hun hoofden waren boers. Grote oren, rode wangen, verweerde koppen. Zou het een bijbaantje zijn hier op het platteland? Een van hen grijnsde een beetje. Misschien was het al zijn tweede begrafenis van de dag.

   Even later kwam de familie aanrijden in hun eigen auto’s. Emie, de weduwe, stapte als eerste uit, en vervolgens haar dochter en zoon, gevolgd door de kleinkinderen met aanhang. In totaal zo’n vijftien mensen. Het groepje schoof richting kerk, waar een van de begrafenismannen ze met een subtiel gebaar duidelijk maakte dat ze op een paar meter van de kist moesten wachten. Een paar van de kleinkinderen huilden en werden getroost door hun partners. Ze stonden daar te wachten, ongemakkelijk, voor het oog van de hele gemeente. We kregen alle tijd om onszelf vragen te stellen over het gezelschap. Zou die lange mevrouw haar dochter zijn? Net zulk grijs haar, nu al. Ook net zulke dunne, kromme benen. Hoe oud zou ze zijn? Wie is de zoon? En wat dragen de kleindochters een strakke kleren. En meer van dat soort verheven hersenspinsels.

   Na een minuut of vijf kwamen er twee oudere dames uit de kerk, met papieren in hun hand. Ze droegen een soort nette vrijetijdskleding. Van Emie hadden we al gehoord dat de priester helaas vandaag verhinderd was. Dat maakte haar niets uit. Zo gelovig was ze niet. De dames gingen bij de kist staan en een van hen begon een gebed te prevelen. Het leken twee van die oude dames van de missie, zoals je ze vroeger in de koloniën zag. Vrijgezel, een zelf gebreide trui, makkelijke schoenen en een keurig grijs golvend kapsel. Toen ze klaar waren met hun gebed, wenkten ze de familieleden die vervolgens gehoorzaam achter de dames aan naar binnen schuifelden. Kleine Emie voorop, aan de hand van haar dochter. Na de familie schoven de andere groepjes mensen achter elkaar de kerk in. Zo ook wij, enigszins aan het eind van de troep. We namen plaats op een van de achterste houten banken. Ook vanbinnen was het kerkje de moeite waard. Fraaie oude booggewelven, zachte kleuren pleisterwerk. Sober. Hoewel katholiek, hier weinig praalzucht.

   Bij binnenkomst klonk er een koor dat een of andere psalm zong. Ik zocht het koor, maar concludeerde al snel dat het uit een apparaatje kwam. Ik zag een van de dames ernaar toe lopen en een knop omzetten. Toen het stil was werden we verzocht te gaan staan, waarna een van beide missiedames ons voorging in gebed. Wat volgde was een stukje voor twee dames. Ze wisselden elkaar af met voorlezen van stichtende teksten. Ik verstond er niet veel van, maar de bedoeling was zonneklaar. We dienden vooral vertrouwen te hebben in de Heer. “Prend pitié de nous, Seigneur”. Heer, ontferm U over ons. Het kleine, sombere volk in de kerk bijeengekomen, prevelde het met de missiemevrouw mee: “Prend pitié de nous, Seigneur”. Steeds na een aantal zalvende, melodieuze zinnen, liet ze een kort moment van stilte vallen, gevolgd door “Prend pitié de nous, Seigneur”. Heer, ontferm u over ons. Het voelde als een bezwering, als een Passion van Bach, of als de eerste speeches van Obama, na een stukje tekst steevast gevolgd door “Yes, we can”. De retorische techniek was hetzelfde, alleen was de boodschap anders. Nee, het volk kon niets, de Heer beschikte, en we moesten op Hem vertrouwen. Dan kwam alles goed. Hij had met alles een bedoeling. En Hij zou zich over ons ontfermen. Een lichte jeuk maakte zich van mij meester. Alles komt helemáál niet goed.

   De kist stond recht voor het altaar, aan het eind van het middenpad, met aan weerszijden banken. Het kerkje was vrijwel helemaal vol. De dames wisselden elkaar af. De een was groter dan de ander, en ze vergaten de microfoon aan te passen aan de lengte van de spreekster, zodat de ene mevrouw goed en de ander volstrekt niet verstaanbaar was. Tot een van beide het ontdekte en met een gefronste wenkbrauw de microfoon verstelde. Tussen de stukjes tekst door zette een van de dames met een afstandsbedieninkje de CD-speler aan en uit, en zo weerklonk er af en toe wat gitaargetokkel, dan wel een religieus lied. Na ongeveer een half uur rommelde een van de dames iets in een hoekje waarna er plots wierook opsteeg. Ze pakte het wierookvat en liep op de kist af. De kist werd met wijwater besprenkeld en onder het uitspreken van begeleidende gebeden maakte ze een rondje om de kist, onderwijl zwaaiend met het wierookvat. Een laatste eerbetoon aan René en een gebed om vergeving van zijn zonden, mocht hij die begaan hebben, wat ik ernstig betwijfel.

   Tot besluit van de mis werden wij verzocht om langs de kist te gaan, deze indien gewenst ook met wijwater te besprenkelen, en en passant een bijdrage in een mandje te leggen voor de parochie. Zelfs bij de dood van een van Gods kinderen wordt de winkel niet vergeten. We schuifelden in de rij naar de kist, langs de familieleden, die als laatsten bleven zitten. Ik zag dat de mensen voor mij steeds het kwastje waarmee het wijwater op de kist werd gesprenkeld, aan elkaar doorgaven. Ik ben weliswaar katholiek opgevoed, maar dat ging mij in mijn hedendaagse goddeloze staat toch echt te ver. Terwijl ik mij voorbereidde op een manhaftige daad, het aanpakken van het kwastje en het, zonder er iets mee te doen, weer in het potje met wijwater terugzetten – dat alles staande aan de voeten van overleden René en onder het oplettend oog van zijn familie – zette de man voor mij het kwastje zelf al terug in de pot, zonder mij aan te kijken. Hij moet mijn kracht gevoeld hebben. Terwijl ik even stilhield aan de voeten van René, en probeerde ondanks de omstandigheden in gedachten bij hem te zijn, viel mijn oog op het mandje. Er lagen alleen maar muntjes in, maar ook één biljet van 10 euro. Waarschijnlijk door de kerk zelf er alvast ingelegd, uitnodigend. 

   Ik liep via de zij-ingang het kerkje uit, waar de menigte zich verzamelde op een binnenplaats. De uitvaartmannen met de verweerde koppen hadden een klaptafel opgezet waarop het condoleanceregister en een aantal pennen lag. Om de beurt schreven we onze namen erin en sommigen een laatste groet. De stemming onder de menigte werd al snel wat vrolijker. Hier en daar werd gelachen. Een jonge man sloeg zelfs dubbel van plezier om een opmerking van zijn buurman. Men ontspande zich. 

   Hoe het nu verder ging, wisten we eigenlijk niet. Ook Gérard niet. De klaptafel voor het condoleanceregister werd weer opgeklapt. De menigte schoof weer langs het kerkje naar de hoofdingang. Daar werd het ons langzamerhand duidelijk dat de teraardebestelling op de begraafplaats iets verderop in het dorp alleen voor de familie was. Dus bleven we nog wat napraten, en ondertussen viel mijn oog op een bord met een tekst over de kerk. Uit de 15e eeuw dus. De kerk had ook een naam, l’Église Saint-Saturnin, gewijd aan de heilige Saturninus. Volgens de overlevering behoorde deze bisschop tot de zeven eerste missionarissen die door paus Fabianus vanuit Rome naar Frankrijk werden gezonden om er het christelijk geloof te verkondigen. Hij had zo’n succes dat hij in 257 werd gearresteerd tijdens de christenvervolgingen en aan de staart van een stier werd gebonden, waarna hij onder het dier werd vermorzeld. Een goed recept om heilig verklaard te worden, dat spreekt. 

   Ons kerkje scheen ook een ‘litre funéraire’ te bevatten uit de 16e eeuw, gewijd aan de adellijke familie die het kasteel pal naast de kerk bewoonde in die tijd (en hun nazaten nog steeds). Een litre funéraire is een zwarte band die is aangebracht in het interieur van een kerk om een gestorvene te eren. Het was mij ontgaan, eerlijk gezegd. Maar ik zag het voor me. De aristocratische familie die gedurende eeuwen, al vanaf de 10e eeuw, het boerenvolk hier had uitgebuit, die in broederlijke samenwerking met de kerk het gepeupel klein had gehouden, kreeg alle eerbetoon. Zoiets gaat in de genen zitten. Daar heeft de revolutie in 1789 volgens mij niet veel aan veranderd. Nog steeds oogt het volk hier klein. Ik keek op en zag hoe de menigte uit elkaar viel en hoe de mensen bescheiden en met gebogen ruggen terug naar hun kleine, donkere huizen schuifelden. We moesten verder. Zonder René.

   Dat viel nog niet mee. De volgende dag zag ik Gérard. Hij had namens alle buren een plaquette gekocht voor op het graf van René. Met een afbeelding van een tractor en de tekst ‘De ses voisins’. Het ding had vijfentachtig euro gekost, en hij was nu bezig met het ophalen van ieders bijdrage. Gérard zag er verstoord uit. Hij kwam net bij mevrouw Durand vandaan. Die vond het veel te duur, vijfentachtig euro! Je kon ze ook voor een tientje kopen, in de Ecogem in Saint-Yrieix. Ze wilde de factuur zien. Gérard was daarop woest naar huis gereden, had de factuur opgehaald en hem bij moe Durand op de keukentafel gekwakt: “Hier heb je de factuur!”, en was zonder verder iets te zeggen de deur uitgestampt. 


Bovenstaande tekst is in licht bewerkte versie eerder gepubliceerd in Smeltende sneeuw.

De wielewaal

Het heeft even geduurd, maar op de ochtend van de dag dat ik vijftig jaar werd, hoorde ik voor het eerst van mijn leven de wielewaal. Tenminste, ik ontdekte dat het de wielewaal was die dat vreemde, onbekende geluid maakte dat ik al sinds een paar dagen uit het bos achter ons huis hoorde komen. Vanuit de toppen van de enorme sparren klonk geregeld een luid fuu-oo-fúu. Veel beter kan ik het niet omschrijven.
Zittend op het terras zag ik hem op die ochtend opeens uit de hoge sparren wegvliegen: een grote knalgele vogel. Afrika in Frankrijk. Ook wel oer-Hollands, natuurlijk. Mijn generatie zong als kind uit volle borst: ‘Kom mee naar buiten állemaal/ Dan zoeken wij de Wie-ie-ielewaal/ En horen wij die múzikant/ Dan is de zomer in ‘t land/ Duudeljoo klinkt zijn lied/ Duudeljoo klinkt zijn lied/ Duudeljoo en anders niet.’

Maar dat duudeljoo … ik weet het niet. Fuu-oo-fúu is natuurlijk ook niks. In het Frans heet de wielewaal een l’oriol, en ook dat zou een redelijke beschrijving van de roep van de wielwaal kunnen zijn; ook weer met de klemtoon op de laatste lettergreep: lo-ri-ól.
Enfin, zijn of haar zang is blijkbaar niet te omschrijven, maar dus ook niet te missen. Het knalt het bos uit. Maar om hem te zien, dat valt niet mee. Ze zitten vrijwel altijd in de bovenste takken van de hoge sparren, en alleen als ze wegvliegen kun je met geluk een glimp van ze opvangen. De vrouwtjes wat onopvallend, geelgroenig, maar de mannetjes jubelend geel met in de vleugel iets van zwart en een rode snavel. En dat zomaar in je bos, als een geschenk.

Er zijn twee soorten mensen. Zij die direct snappen waarom je een huis in Frankrijk hebt. Dat zijn mensen die er zelf ook wel eens van dromen of aan gedacht hebben. En dan zijn er mensen aan wie je moet vertellen wat nou toch de lol is van zo’n huis in Frankrijk. Dan vragen ze schijnbaar zonder bijbedoeling: ‘je gaat zeker nooit meer ergens anders heen?’, ‘verveelt dat nou niet, steeds naar dezelfde plek?’, of ‘weer lekker veel klussen zeker in je vakantie?’
Tja, wat moet je dan zeggen? Dat je niet alleen een huis hebt gekocht, maar ook een plek in je hoofd? Waar je op elk moment, ook – of vooral – als het leven tegenzit, naar toe kan gaan? Dat je, als je ’s nachts in Amsterdam niet kan slapen, je in gedachten Frankrijk even bezoekt? Geen overtuigende argumenten, lijkt me. Wat dan wel?
De lol van een huis in Frankrijk valt niet uit te leggen aan mensen die in elke stad die ze bezoeken kathedralen willen zien, of tempels in Bangkok, of liever bungee jumpen, of parachute willen springen, of in ieder geval nooit twee keer hetzelfde in hun leven mee willen maken. Je moet houden van herhaling, van continuïteit. Eén plek goed willen leren kennen. Houden van rust en traagheid, van dat er niets verandert, dat steeds hetzelfde zich in kleine variaties aan je voordoet. In ieder geval moet je, denk ik, van de natuur houden.

In de eerste tijd hier deed ik vrijwel elke dag een ‘waarneming’. Geregeld moest ik een van mijn aangeschafte gidsjes raadplegen om vast te kunnen stellen wat ik nu weer had gezien. Veel vogels. Uilen, wouwen, buizerds, kiekendieven, valken. Laatst ontwaarde ik op een distel tegen de omheining van ons terrein een klein, bijna knaloranje vogeltje met een zwarte kop. Goudvink, zo bleek. Ook de ijsvogel nestelt hier in de steile oever aan de overkant van het meer. Hij scheert zomers elke dag met zijn oranje buik en gifblauwe vleugels over het water. Ik begin zijn roep te herkennen. Een korte schrille kreet. Zodra ik die hoor, weet ik dat ik kan zoeken naar de blauwe streep, een halve meter boven het wateroppervlak.
Niet alleen de vogels, maar ook de reeën, vossen, dassen, marters. En de slangen natuurlijk! Mijn eerste kennismaking met ‘onze’ slang vond plaats in ons eerste voorjaar hier. Het was begin april, maar wel al warm. Ik zat op een ochtend op het terras te lezen. Er stond geen zuchtje wind. Tussen de eiken aan de oever door schitterde het water van het meer, roerloos. De zon scheen alsof het al zomer was en de lucht geurde kruidig. Het was stil. Afgezien dan van het helse kabaal van al die vogels, die elkaar leken te willen overbluffen. Terwijl ik zo half zat te lezen, zag ik in mijn ooghoek plotseling iets heel vreemds: iemand schoof een lange stok van een meter over het terras. In een flits zocht ik Caroline, maar die zat gewoon naast mij te lezen. ‘Dit kan niet,’ dacht ik, ‘er is hier verder niemand.’ Ik keek nog eens, nu goed. En terwijl de stok wegschoof, realiseerde ik mij dat het een slang van meer dan een meter lang en zo’n vijf centimeter dik was, die daar over het terras het gras in gleed! Ik stond voorzichtig op, en zag hem razendsnel door het gras kronkelend wegschieten in de richting van het meer. Hoewel het gras kort gemaaid was, was hij moeilijk te zien. Hij was groenig, donkergroen met een gelig patroontje.
Onze slang bleek een geelgroene toornslang te zijn (in het Frans een couleuvre vert et jaune). Toornslang vanwege zijn opvliegende aard. Hij dreigt en bijt, maar is niet giftig. Dat klopte, want elke keer als ik hem verras tijdens het tuinieren, richt hij zich dreigend op, met zijn tongetje snel heen en weer flitsend. Hij is onze huisslang. Op een warme dag ligt hij aan de voorkant van het huis in het zonnetje, en soms tref je hem in de nok van de zolder bovenop een balk, diep in slaap. Als ik hem dan even por met een stok richt hij zijn slaperige kopje op, en kijkt verveeld over de balk naar beneden. Volgens de legende die van generatie op generatie in Oost-Europese families wordt doorverteld brengt de slang voorspoed en geluk. Als de ringslang of de adder bij je aan de deur klopt, groet je hem beleefd, je laat hem binnen en geeft hem te drinken, een kommetje melk liefst. Zo’n dier sla je niet dood, zoals onze plaatselijke aannemer het liefst doet als hij bij ons aan het werk is. Nee, je verwelkomt hem. De legende vertelt ook dat als de slang is ontsnapt, met dat vertrek alle beetjes voorspoed en geluk uit het huis zijn verdwenen. Dus behandelen we haar maar met enig respect.


Waarom een huis in Frankrijk? De dieren, de natuur. Maar ook iets heel anders. Iets met ‘tijd’. De Fransen hebben een hang naar traditie. De zorg voor het eten, de rituelen in de omgang. Ze conserveren hun beschaving. De aandacht voor de wijn, de manier waarop kinderen worden opgevoed, de etiquette, de moestuin achter elk Frans huis. De uniformiteit. Een dorp in Frankrijk ziet er ongeveer altijd hetzelfde uit: in het hart een plein, met het vertrouwde monument voor de voor het vaderland gevallenen, de mairie en de school. Een hoofdstraat met een café, een bakker en een restaurant. En het ‘tabac’-winkeltje, voor de sigaretten, de krant en de lottobriefjes. Kleine variaties van hetzelfde. Die herhaling werkt troostend, het geeft de suggestie van eeuwigheid. Zoals een foto troost kan geven. Het legt een moment vast, als een ontroerende vorm van verzet tegen de vergankelijkheid, tegen het voortdurend dreigende afscheid. Ik weet het, allemaal illusie, maar toch.

Enfin, de wielewaal dus. Een vaste gast bij ons in het bos. Jaarlijks keren ze terug in het voorjaar. Nestelen hier, brengen hun jongen groot. Ze kunnen ook minder fraaie, krassende geluiden maken, maar ’s ochtends vroeg een diepe, jubelende fuu-oo-fuu, daar kan niet veel tegenop, qua start van de dag. Aan het einde van de zomer geven de jonge wielewalen altijd een voorstelling. Dan zeilen ze in groepjes speels heen en weer tussen de hoge toppen van de sparren hier om ons heen. Nog wat groenig van kleur. Aan het oefenen voordat ze over aan de grote trek naar het zuiden beginnen. Met een beetje geluk overleven ze dat en zien we ze volgend voorjaar hier weer terug.


Bovenstaande tekst is in bewerkte versie eerder gepubliceerd in Verstilde tijd.