Herinneringen

Op deze pagina verzamelen zich de komende tijd langzaam maar zeker (jeugd)herinneringen. Herinneringen van een jongetje dat opgroeide in de jaren vijftig en zestig in Amsterdam. Af en toe een terugkeer naar een wereld die niet meer bestaat.


Mijn (korte) katholieke jeugd

Heb ik er last van gehad? Onder geleden? Nou nee. Heeft het me iets gebracht? Nee, ook niet. Was het vervelend? Ja, dat wel. Al was er in mijn geval sprake van een light version, het katholieke geloof was niet aangenaam voor een kind. Straf en zonde, daar draaide het zo’n beetje om. In het gareel moest je, onder dreiging van hel, vagevuur of andere verdoemenis. Er zijn toch positievere opvoedingsstijlen denkbaar. Maar tijdens mijn jeugd stortte het bouwwerk in. Lees verder …


Van hel naar hemel

“Hoe is het met je moeder?”, vroeg mijn buurman me, toen ik hem ’s ochtends tegenkwam terwijl ik mijn fiets van het slot haalde. “Ben net op weg naar haar”, zei ik. Ik zei het wat gehaast want het voelde alsof ik op moest schieten. Caroline was met de honden naar ’t Gooi, ik had sterk het gevoel dat ik nu naar mijn moeder moest gaan. De avond ervoor zaten we aan haar bed, nadat ze net een herseninfarct had gehad. Ze leek ons nog wel te zien, maar reageerde niet meer op onze woorden. Haar linkerarm deed het niet meer. Lees verder …


De perfecte kopbal van Henk Groot

We hadden net een lange wandeling gemaakt in de duinen bij Schoorl en zaten met twee uitgeputte honden aan onze voeten aan de koffie in het restaurant van het bezoekerscentrum. Een groep bejaarden kwam binnen, onder leiding van een energieke begeleidster. Ze had duidelijk de wind eronder en commandeerde iedereen met luide stem in hun stoel aan de grote tafel. Allemaal dames op één na. Tot mijn verbijstering zag ik dat de enige man in het gezelschap Henk Groot was. Een scherpe herinnering aan mijn voetbaljeugd drong zich aan mij op. Ik moet een jaar of veertien zijn geweest. Lees verder …


Moeder

Onlangs namen we afscheid van mijn moeder. Op drie maanden na is ze 96 jaar oud geworden. Het was een mooie bijeenkomst, zo rond haar kist, al meende ik haar voortdurend zachtjes te horen mompelen: ‘Gaan jullie nu maar naar huis’. Elke keer als ik bij haar op bezoek was, zei ze eigenlijk steeds sneller: ‘Ga nu maar naar huis, jongen, een hapje eten, naar Caroline, naar de honden’. Zelfs in haar laatste dagen in het verpleegtehuis, doodmoe als ze was, bleef ze dat zeggen, zo’n beetje de enige echte zin die ze nog kon formuleren. Het was haar ten voeten uit, altijd en overal eerst aan anderen denken. Onbaatzuchtig. Een woord dat bijna uit onze taal is verdwenen. Lees verder …