Auteursarchief: Leo Pauw

Van hop tot das

Ondanks het inreisverbod voor reizigers van buiten de EU is het de hop toch gelukt! Gisteren hoorde ik zijn roep: hop-hop-hop, hop-hop-hop. Niet te missen, toch? Op vijf april noteerde ik de eerste koekoek, twee weken later de eerste wielewaal, en nu dan begin mei de eerste hop. Allemaal terug uit donker Afrika. Ik ben wel bang dat ze zich niet aan de twee weken verplichte quarantaine hebben gehouden, want zo te horen zijn ze gelijk erg druk bezig met daten. We leven hier in een dierentuin, of eerder een natuurreservaat, zonder enige vorm van grenzen of hekken.

Zo ontdekten we vorige week opeens een heuse dassenburcht. Niet dat ik zoiets wel eens eerder had gezien, maar bij de aanblik van deze heuvel met enorme ingangen was er maar één mogelijkheid, een dassenburcht. Met in het uitgegraven zand duidelijk de brede pootafdruk van een das, net even anders dan die van een hond. Een das zie je niet makkelijk overdag. Ja, wel af en toe langs de kant van de weg, aangereden. Het zijn nachtdieren, pas tegen de avondschemering komen ze tevoorschijn. Na hun nachtelijke voedseltochten keren ze tegen de ochtend terug in hun burcht. Ze wonen dus onder de grond, niet zomaar in een holletje, maar in een soort onderaardse kastelen. Soms bestaat een burcht slechts uit een paar ‘kamers’, maar er zijn er ook wel, zo liet ik mij vertellen, met dertig kamers, allemaal onderling verbonden door flinke gangen. De gigantische hoeveelheid uitgegraven zand vormt de helling van de burcht. 

Een andere marterachtige die we wel geregeld hier zien is de boommarter. In het begin woonde er zelfs eentje bij ons op zolder. We hoorden hem aan het einde van de nacht de zolder opkruipen met zijn buit van die nacht, soms een vogel, soms een ei. Later zag ik wel eens een heel gezin voorbij hollen, al spelend. Ze zijn onweerstaanbaar mooi. Een klein spits kopje met grote oren. Ongeveer zo groot als een kat, maar lager bij de grond. Een roodbruine vacht, een mooie volle pluimstaart en een gelige, bijna witte bef. En nu huist er eentje in het verlaten hol van de beverratten aan de rand van het meer. 

Beverratten hebben we dus ook hier. Enorme joekels van beesten, lang niet zo knap als de boommarter. Een brede hoekige kop, met enorme snorharen en kleine ogen die altijd gemeen kijken. Onder zijn neus komen twee grote oranje snijtanden uit zijn bek. Een bruine harige vacht en een gladde puntige staart. We zien geregeld een flinke familie aan de waterkant of in ons bos, maar hoe het nu met ze is, weet ik niet, want Jean-Claude, onze eigenaardige buurman van het meer, besloot om op ze te gaan schieten. Ze zouden zijn vis opvreten of zijn dijkjes ondergraven met hun holen. Altijd wat. Ik zie hem nog staan laatste herfst, als een tekenfilmfiguurtje, aan de overkant van het meer. Zijn buks net zo lang als hij zelf, schietend op de zich door het water bewegende beverratten. Waar ze nu zijn, God mag het weten, het hol is verlaten. De boommarter heeft het voorlopig even gekraakt, zo lijkt het.

Natuurlijk stikt het hier van de reeën, met af en toe een edelhert, maar daar hebben we het al vaker over gehad. Maar ook de vos heeft hier zijn leefgebied. Vorig voorjaar zag ik op een van onze wandelingen in het bos opeens twee paar kleine oortjes uitsteken boven een boomstronk. Toen ik heel stil bleef staan, kwamen de oortjes als in een film langzaam omhoog en staarden twee jonge vosjes mij nieuwsgierig aan. Toen ik bewoog doken ze gauw weg. Ik liep voorzichtig naar de plek waar ik ze had gezien en ontdekte daar half onder een boomstronk een vossenhol, met twee grote ingangen. In een daarvan probeerde ik naar binnen te kijken en zag daar iets verderop in de gang een van de vosjes zitten kijken naar me. De nieuwsgierigheid won het van zijn angst. Een mooie plek voor een hol, diep in het bos, op een kleine open plek waar precies de zon op scheen. 

En vogels. Te veel om op te noemen. De hop is misschien wel de mooiste, maar het mannetje van de wielewaal mag er ook zijn, en de ijsvogel natuurlijk. Rode wouwen, blauwe kiekendieven. Van de reusachtige al trompettend overvliegende kraanvogels tot de kleine goudhaantjes. Onder onze dakrand nestelt ook dit voorjaar weer de gele kwikstaart en aan de andere kant van het huis de roodstaart. In ons bos roept ’s nachts de bosuil en over het water zeilt de waterspreeuw of stijgt verschrikt de kleine zilverreiger op. 

Qua reptielen en amfibieën mogen we ook niet klagen. Neem alleen al de hagedissen. De gewone hagedis is hier af en toe een plaag. Bij tientallen tegelijk draven ze over het terras of schieten in en uit de stenen van de muren, elkaar opjagend en bevechtend. Veel mooier zijn twee soorten die je hier ook veel op het terrein ziet: de groene zandhagedis en de smaragdhagedis. Allebei een stuk groter dan de gewone hagedis, zo’n 30 tot 40 centimeter. De laatste veel feller groen en soms (mannetjes in paartijd) met een blauwe keel. 

En dan hebben we de slangen: onze huisslang, de geelgroene toornslang, agressief maar ongevaarlijk. Hij woont in de kelder en op zolder, onder het dak. Elk jaar in mei kronkelen er tientallen babyslangetjes in de kelder, die ik dan vaderlijk de trap op help, omdat ik om de een of andere reden denk dat ze dat niet zelf kunnen, en in de struiken zet. Behalve deze ongevaarlijke huisslang treffen we ook af en toe een hazelworm, eveneens ongevaarlijk, maar zo nu en dan ook de adder, wel degelijk giftig. Pomme stapte vorig jaar als pup bijna op een slapende, opgerolde adder op een bospad. Had heel vervelend af kunnen lopen. 

Ook interessant zijn de amfibieën. Soms loopt er een prachtige vuursalamander over het terrein. Laatst trof ik er een aan in de garage. Een centimeter of twintig, zwart lijf met felle gele strepen en bolle oogjes. Hij houdt duidelijk niet van licht, want terwijl ik hem fotografeerde probeerde hij telkens naar een donker plekje te lopen, waarbij hij heel erg langzaam bewoog. 

Nog veel bijzonderder – slechts één keer gezien, in de kelder – een marmersalamander, ook een zwart lijfje, met een korte, brede kop, iets kleiner dan de vuursalamander, maar dan met groene vlekken en een oranje streep over de hele rug. Net zo sloom en apathisch als zijn gele soortgenoot.

En twee maanden geleden zagen we dan eindelijk het dier dat we in alle zeventien jaar dat we hier nu komen, nog nooit hadden ontmoet. Wel hun sporen in de weilanden, de omgewoelde plekken. En één keer aan een stok, dood, als prooi van de jagers. Maar nu gebeurde het opeens. Het was goor weer. Een loodgrijze lucht en een ijzige noordenwind deden het humeur geen goed. Toch maar een wandeling met de honden, als altijd. Het hele land was doordrenkt van water, de wekenlange regen had van de bodem een moeras gemaakt. We liepen een rondje in de bossen achter ons huis. Saar en Pomme hadden nergens last van. Ze renden voor ons uit, op zoek naar spannende geurtjes, onderwijl dansend in de vele plassen op het pad. Pomme als altijd onze verkenner, zo’n dertig meter voor ons uit rennend, en zich dan telkens omdraaiend, om te zien waar we bleven. Maar opeens gedroeg ze zich anders. Ze zette wel aan om voor ons uit te lopen, maar hield elke keer in en hief haar kop dan argwanend omhoog, oren gespitst. Dat herhaalde zich een tijdje, en plotseling zagen we waarom. Op vijftig meter van ons stond op het pad een everzwijn. Net als de das zijn everzwijnen overdag vrijwel nooit actief en dus bijna nooit waar te nemen. Maar nu dus wel. Misschien omdat het nog een jong dier was, zo te zien aan de sporen van strepen op haar of zijn vacht. Ze was niet groter dan een vos. Ze rook ons blijkbaar niet, want bleef gewoon staan wroeten langs het pad. Toen we haar eenmaal in zicht hadden, deinsde Pomme achteruit. Saar begon te grommen en rende stoer een stukje in de richting van het dier. Op het moment dat het zwijntje ons opmerkte, holde ze rustig op een sukkeldrafje het bos in. Meer een soort dribbelen op die korte pootjes. Ik volgde haar spoor in het struikgewas en zag haar op zo’n vijftien meter afstand naar me staan kijken. Waarna ze verder weg het struikgewas in dribbelde. Eindelijk dan toch een everzwijn. 

Dit land is van de dieren. De mens is hier te gast. Ons past bescheidenheid. 

Sneeuw in april

April inmiddels, maar eindelijk dan toch nog sneeuw. Het is de kersenbloesem die na twee weken witte weelde nu door de zachte voorjaarsbries haar witte bloesemblaadjes voorzichtig op het gras laat dwarrelen. Mooi en kort, vluchtig als het leven, om er maar eens wat Japanse symboliek bij te halen. De koekoek – vroeg dit jaar – verzorgt met haar holle roep het bijpassende achtergrondgeluid. Om ons heen spat het groen uit de bomen, in een paar dagen tijd zijn de eiken aan het meer van zwartgrijs op teer zachtgroen overgegaan. Belofte alom. Twee kanten dus aan die betoverende bloesem: die van het frisse, prille begin – in Japan starten de scholen het nieuwe schooljaar niet voor niets in april – én de vergankelijkheid, de melancholie om de eindigheid der dingen.

En het is ook nog eens Pasen. Toch al een tijd waarin zomaar de ‘het eindige leven aanklevende treurnis’ de boventoon kan voeren. Elke keer als ik zo rond de Paasdagen ‘Wir setzen uns mit Tränen nieder. Und rufen dir im Grabe zu: Ruhe sanfte, sanfte ruh! hoor, ben ik bij mijn overleden zus Mieke. Ze had dit stuk uit de Matthäus Passion uitgekozen om haar uitvaart mee te openen. Toen ik een paar jaar terug in het Concertgebouw de zware klanken door de zaal hoorde galmen, voelde ik weer de kist die ik met mijn zwagers op mijn schouders de ruimte indroeg waar ze werd herdacht. Veel te vroeg namen we afscheid. Achtenvijftig werd ze. En als ik aan haar denk, denk ik ook onherroepelijk aan mijn moeder, die dit leed – het onderweg verliezen van je kind – gelukkig niet langer hoeft te dragen. 

Death itches all the time’, in de woorden van Yalom, de Amerikaanse psychotherapeut, van wie ik onlangs dankzij mijn buurman voor het eerst een boek las. Inherent aan ons bestaan is dat we allemaal bang zijn voor de onvermijdelijke dood, bang voor de existentiële eenzaamheid. Daar zit wat in, de sluier van zwaarmoedigheid die over het leven hangt. Tenminste, dat komt mij bekend voor, maar misschien geldt het niet voor iedereen. Soms spreek ik wel eens iemand die me verbaasd aankijkt als ik aan zoiets refereer. Maar een beetje psychotherapeut hoor ik al zeggen: “daar is hij of zij zich dan nog niet van bewust …” Maar ik vermoed dat we met velen zijn. Zoals ik als kind al bang was voor de eenzaamheid van de nacht. Helemaal alleen in bed, afgezonderd van alle mensen om me heen. Mijn moeder begreep me, van haar mocht het licht in de gang aanblijven, mijn deur op een kier, en ze bleef extra lang in de aangrenzende keuken rommelen, geruststellende geluiden makend en zo mijn onrust bezwerend, net zolang tot ik in slaap viel. En ja, liefde doet veel, maar uiteindelijk, in het zicht van de dood, zijn we allemaal angstaanjagend alleen. Waar vallende kersenbloesem allemaal niet aan doet denken.

Maar gelukkig is er ook die andere kant: grun-tu-molani. De zin in het leven, de instinctieve wil om te leven. Om elk voorjaar weer opnieuw te beginnen. Ik weet niet precies waarom ik het heb onthouden, maar in zijn roman Henderson the Rain King laat Saul Bellow de oude koningin van de Afrikaanse stam die door Henderson, de hoofdpersoon van het boek, wordt bezocht, zeggen: Grun-tu-molani. (…) Say, you want to live. Grun-tu-molani. Man want to live.” Wat ik ervan begreep was dat het ging om zoiets als levenslust, de drang om te leven, om onsterfelijk te willen zijn. Dat sprak mij aan, het verwees naar een vage en nauwelijks bewuste drijfveer die je elke keer weer van de melancholie kon bevrijden. Aan de slag! Iets nieuws beginnen. Ook daarin zijn we met velen, denk ik. Toen ik een paar jaar terug aan mijn toen al 90-jarige moeder vroeg of ze er ondanks al haar gebreken nog wel zin in had, zei ze: “Ja, hoor, het wordt weer voorjaar, kijk, er komen weer blaadjes aan de bomen!” 

Hier op het platteland in Frankrijk is de moestuin hét symbool van het nieuwe begin. In deze maand zijn alle locals bezig met het klaarmaken van de tuin, het zaaien, kweken en planten om straks als het zomer is te oogsten. We doen er voor het eerst een beetje serieus aan mee. In de winter hebben we een flink stuk terrein afgebakend, van zo’n zeventig vierkante meter. Dubbele paaltjes eromheen gezet, om daar takken uit het bos tussen te doen. Zo is er een klein natuurlijk hekje ontstaan om de honden buiten te houden, dol als die zijn op frambozen en aardbeien, zoals we vorig jaar merkten. Begin maart een grondfrees gehuurd, een motobineuse, om de grond klaar te maken. Caroline maakte een heus plan, een indeling en een schema met de volgorde der dingen. Daarna voorzaaien binnen en andere zaadjes direct buiten de grond in. Plus ook wat kant-en-klare plantjes. En kijk nu al eens! Op komst zijn onder meer: bietjes, knoflook, bleekselderie, paprika, aubergines, sugar snaps en andere soorten bonen, sla, aardbeien, frambozen, bessen, courgettes en pompoenen. Het lijkt me een goed alternatief voor de psychotherapeut. 

Net als troostende muziek, nu we het toch over de Matthäus Passion hebben. De laatste keer dat ik in het Concertgebouw de uitvoering bijwoonde, bleek er tot mijn verbazing geen jongenskoor. Jammer, want toen ik jong was zong ik in het jongenskoor van de Vredesscholen en deden we elk jaar onder leiding van dirigent Piet van Egmond mee aan drie uitvoeringen van de Matthäus Passion, waarvan één in het Concertgebouw in Amsterdam. Mooie herinneringen. Nu liep ik tijdens de pauze even naar de deur achter het podium waar ik als tienjarig jongetje bij de opkomst nerveus de trappen afliep, de volle zaal recht voor mij. Eén keer in mijn korte koorhistorie heb ik verdwaasd gezocht naar die deur. Ik was te laat. Om de een of andere reden waren zowel mijn ouders als ik mijn optreden enigszins vergeten. We realiseerden ons dat pas toen ik er al had moeten zijn. Mijn vader strikte gauw mijn stropdas en reed me met de auto in allerijl naar het Concertgebouw, we woonden er vijf minuten vandaan. Het was inmiddels al vlak voor het begin van de voorstelling en dus razend druk met verkeer rondom het gebouw (nou ja, ‘razend druk’, we spreken hier over 1963). Er was geen tijd om een plaatsje voor de auto te zoeken, en dus riep mijn vader: “Spring er maar uit en ga maar naar binnen”. Wat ik deed. Het was niet mijn eerste keer dat ik er zou zingen, dus ik dacht dat ik de weg wel wist. Ik holde in mijn blazertje het Concertgebouw binnen, klom de trappen op, maar raakte in mijn haast volledig in verwarring. Dat het een rond gebouw was, maakte het – zo realiseerde ik me later – er niet makkelijker op. Overal opende ik deuren, maar wat ik ook deed, ik kon de deur die naar het podium leidde niet meer vinden. Paniekerig holde ik door de gangen, waar het steeds leger en leger werd. De gong was al gegaan, het stemmen van de instrumenten was afgelopen, de uitvoering zou gaan beginnen! Ik zou zelfs áls ik de deur al zou vinden, nooit meer onopgemerkt in het koor aan kunnen schuiven! In mijn wanhoop wist ik uiteindelijk niets beters dan het gebouw weer uit te hollen. Waar ik in de rij auto’s voor het stoplicht op de Van Baerlestraat zowaar mijn vader nog zag staan. Die avond miste er één stem in het jongenskoor.

De kersenbloesem is vrijwel geheel uit de boom verdwenen. Daarvoor in de plaats is er opeens een dak van groen blad ontstaan waartussen nog net de meesjes en de vinken zijn te spotten, en de fitis, roodstaart, goudhaantje en al die andere vogels die zich nu al verkneukelen bij de gedachte aan de geweldige kersenoogst straks in juni.

Pomme

Toen ik met pensioen ging en in januari van het vorig jaar een afscheidsetentje had met mijn naaste collega’s in De Plantage in Amsterdam, vertelde ik dat we een tweede hond gingen nemen. Een van mijn oude collega’s stelde toen in opperste verbazing de vraag: “Waarom zou je in godsnaam een tweede hond nemen?” Een hele goede vraag, die ik eerlijk gezegd niet zo goed bleek te kunnen beantwoorden. Ik stamelde zoiets als: “Dat kun je misschien beter aan Caroline vragen”. 

Het was niet helemaal mijn idee dus, al leek het me natuurlijk ook wel leuk, maar dan vooral voor Saar. Een maatje om mee te spelen. Zoiets. Maar het had wat mij betreft ook vijf jaar mogen wachten, om maar een dwarsstraat te noemen. Maar ja, als iemand dat nou heel graag wil? Wie ben ik dan om …? Enfin, ergens aan het einde van die maand mochten we haar ophalen. Een adembenemend lief bruin drolletje. En zo begon het hele gedoe weer. ’s Nachts om de haverklap je bed uit. We moesten uiteraard even een tijd in Amsterdam blijven, voordat we met haar naar Frankrijk mochten, qua inentingen en dergelijke. Dus ving daar op tweehoog ook de zindelijkheidstraining aan. Oftewel: om het uur naar beneden rennen met het marmotje in je handen, haar in het plantsoentje voor de deur in het gras zetten en alsmaar roepen: ‘doe maar een plasje, Pomme’. 

Want zo heette ze. Aangezien ze voor een groot deel van de tijd in Frankrijk zou zijn, en we niet weer een naam wilden uitkiezen waar de Fransen niet goed mee uit de voeten konden (‘Sarrrr?’), leek ons Pomme een veilige keus. Bovendien heette de herdershond waar Caroline bij in de mand sliep toen ze drie was, Pom. 

Nu is dat gedoe met zo’n pup allemaal niet zo dramatisch natuurlijk, wil het niet dat om de een of andere reden precies in die tijd mijn spierreuma zich manifesteerde. Althans, ik had geen idee wat het was, maar ik verging van de pijn in een behoorlijk groot deel van mijn spieren. Zelfs met Pomme in mijn handen over het lage hekje van het plantsoen stappen was een kwelling. Qua timing was ons tweede pupje dus niet echt een goed idee. Het was op zijn zachtst gezegd een matige periode. We wandelden met Pomme in het Amsterdamse Bos of in de bossen van ’t Gooi – nou ja, Caroline droeg haar de meeste tijd in een draagzakje, en af en toe mocht ze even een stukje hollen in het gras – maar wat ongekend leuk zou moeten zijn, was voor mij heel eerlijk gezegd, tja, niet leuk.

Pomme zelf was wel heel leuk. Ze nam ons compleet voor haar in, vooral door de manier waarop ze naar de televisie kon kijken. Favoriet waren dierenprogramma’s. Ze ging er echt voor zitten en blafte er vrolijk op los als ze enkele speelse apen of olifanten gewaarwerd. Misschien deed het haar denken aan het nest met negen bruine over elkaar heen rollende broertjes en zusjes waar ze zojuist bruusk was uitgerukt. De gezapige nieuwe mensenroedel was wellicht even wennen.

Begin maart konden we dan eindelijk naar Frankrijk – Pomme had alle noodzakelijke inentingen gehad – waar het allemaal zo veel makkelijker zou worden. Lekker buiten, van die dingen. Pomme passeerde Parijs alsof het routine was. Af en toe een plas op het strookje gras van de parkeerplaatsen en hup de auto weer in. En inderdaad, zodra de honden uit de auto klommen, renden ze ons terrein op en neer net zolang tot ze van vermoeidheid in slaap vielen. 

Tot Pomme kennismaakte met de paarden. Ze vond die grote zwarte kolossen reuze interessant. Maar ja, ze zijn natuurlijk ook niet zonder gevaar, zeker voor een klein hondje. Op een onbewaakt moment dook Pomme onder het lint door naar de paarden en besloot Théos maar eens voor de gein in zijn kuit te bijten. Waarop Théos, zoals een paard doet, keihard met zijn been naar achteren schopte. Precies tegen het kopje van Pomme. Ze slingerde drie meter door de lucht, klom overeind, zette het op een krijsen en rende als een gillende speer naar de voordeur van het huis, met mij achter haar aan. Ik was ervan overtuigd dat dit het einde was voor Pomme. Maar het bleek mee te vallen, de schade. Een dicht oog met een wond erboven, maar niets fataals. 

Het aanvankelijk wat hulpeloos om zich heen kijkende kleine bruine hoopje ontwikkelde zich tot een energiek, brutaal en zeer aanwezig hondje. Haar grote zus Saar keek het met verbijstering aan. Zo klein als Pomme was, ze was onmiddellijk dominant. Ging met graagte op het hoofd van haar zus staan of zitten. Griste de brokjes uit de bak van Saar. Waarop Saar haar bruine ogen licht wanhopig op ons richtte: blijft dit vreemde mormel hier? We hoopten dat Saar mede de opvoeding van Pomme op zich zou nemen, dat leek ons wel handig. Maar dat bleek niet het geval. ‘Zoek het uit’, leek ze te zeggen. 

Na de grootstedelijke start met poepzakjes en droeve uitlaatsessies aan de lijn en Pomme op tweehoog hunkerend voor het raam zittend, kijkend naar alles wat bewoog op straat, kon in Frankrijk het echte sportleven van Pomme beginnen. In ieder geval de atletiek: hardlopen, verspringen, van die dingen. Maar ook het zwemmen: ze dook onmiddellijk het meer in en bleek een goede zwemmer. Maar het interessantste was toch de combinatie van turnen en judo. Pomme kon namelijk erg goed ‘vallen’. Ze had zo jong als ze was een soort inzicht in natuurwetten: ze begreep de werking van de middelpuntvliedende kracht. Ze racete namelijk net als alle andere honden met een waanzinnige snelheid achter het oranje stuiterballetje aan. Maar daar waar de meeste honden dan op de rem gaan staan om de bal te pakken, met alle schadelijke gevolgen voor de arme knietjes van de doorgefokte rashondjes, bedacht Pomme de ‘zijdelingse judorol’. Ze remde niet af als ze de bal in haar bek greep, maar liet zich op volle snelheid zijdelings vallen en rolde dan een paar meter tollend door. Waarna ze, als ze eindelijk tot stilstand was gekomen, haar hoofd oprichtte – met de bal in haar bek – en enkele tellen verdwaasd om zich heen keek: wat is er in vredesnaam precies gebeurd?

De zijdelingse judorol in beeld

Naast haar actieve sportleven heeft Pomme tegelijkertijd ook een wat filosofische aard. Ze kan heel lang als een soort Boeddha in het gras om zich heen gaan zitten kijken, waarbij ze de wereld een rustig in zich opneemt. Als ze dan eindelijk na een lange dag buiten te hebben gesport en gemediteerd doodmoe naar binnen wankelt, betrekt ze een plek in de houtstapel achter de houtkachel en slaapt met haar hoofd op een houtblok de slaap der onwetenden. Om de volgende ochtend als een blij geitje recht op en neer springend ons weer te begroeten. Om vervolgens zó heftig met haar staart te kwispelen dat haar hele achterlijfje woest mee beweegt, zoiets als de jongelui in de zestiger jaren bij het dansen van de ‘twist’. 

Het is ook goed gekomen tussen Pomme en de paarden. Ze zijn aan dat – nu best al grote, maar in hun ogen – kleine bruine mormeltje gewend geraakt en Pomme is (meestal) voorzichtig in hun buurt. Vandaag is ze voor het eerst met Caroline mee gegaan op een paardentochtje. Ze keek lang achterom naar mij, twijfelend wat ze zou doen, maar na een vaderlijk knikje van mij koos ze moedig als ze is voor het avontuur en holde achter Caroline en Théos aan. Met glans geslaagd voor weer een diploma. Hoe hebben we ooit zonder een tweede hond gekund?

Liefde in tijden van corona

Es riecht nach Schnee, om mijn oude skileraar maar weer eens te citeren. Na weken schitterend voorjaarsweer waait er hier opeens een Siberische wind onder een loodgrijs wolkendek. En uit die poolwind landde er in alle vroegte een engel op ons stoepje. OK, we waren wat laat opgestaan, maar terwijl Caroline nog aan het douchen was en ik in mijn kamerjas met de honden aan het klooien was, hoorde ik plotseling onze voordeur opengaan. En daar klom zowaar madame Mouret naar binnen. In haar zondagse pak – een keurige paarse mantel, een echte handtas en een net zwart hoedje op. Wel op haar zwarte rubberen tuinpantoffels, maar quand même! Ze had met haar 86 jaar de lange afdaling van haar huis naar hier gemaakt. De honden vonden het een leuke afwisseling zo op de vroege zondagochtend en vooral Pomme klom zowat in haar hoedje. 

Hoewel ze al vrijwel binnen was, nodigde ik haar uit om helemaal binnen te komen, gooide de honden in de keuken en bood haar een zitplaats aan, uit alle macht proberend om mijn wijdvallende kamerjas dicht te houden. Ze verdween in onze bank, met haar hoedje op. Caroline kwam gauw onder de douche vandaan en zette zich eveneens in kamerjas met natte haren tegenover haar. “Ik kom eieren brengen en een potje jam.” In koor zeiden we: “Ach, maar dat is toch niet nodig!” “Jawel, dat is wel nodig!”, riep ze. 

Emie Mouret is een buitengewoon lief oud vrouwtje dat in het gehuchtje hier op een paar honderd meter vandaan, op de heuvel, woont. Haar man Roger is twee jaar terug overleden en nu rooit ze het alleen op de oude boerderij, met haar moestuin en haar kippen. Ze is behoorlijk doof en begint een beetje de weg kwijt te raken. Caroline was gisteren even langs geweest om – in deze barre corona-tijden – te vragen of ze iets kon doen. Dat kwam goed uit want Emie was in alle staten, haar kippenvoer was op! Dus haalde Caroline op de terugweg van de boodschappen in Saint-Yrieix een zak kippenvoer bij de Gamm Vert en als extraatje nam ze een tartelette bij de bakker voor haar mee. 

En nu, gelijk de volgende ochtend, stond ze al op de stoep om de schuld te vereffenen, met twaalf eieren én een pot zelfgemaakte pruimenjam (waarop helaas – zo bleek later – een flinke laag schimmel dreef). “Komt uw zoon niet geregeld langs?”, vroegen we, omdat we hem twee dagen terug nog in zijn zilvergrijze Audi-sportwagen langs hadden zien komen. “Nee, die zie ik nooit!”, riep ze uit. 

Emie is op haar negentiende met René (die hier op de boerderij van zijn vader was opgegroeid) getrouwd, kreeg op haar twintigste haar eerste kind, en is toen gelijk hier bovenop de heuvel ingetrokken bij Rene en zijn ouders. Haar herinneringen aan deze plek gaan dus lang terug. “Ja, ik kwam hier vaak. Dat komt, hier naast jullie huis stond toen nog een watermolen.” Dat wisten we wel, want de restanten zijn er nog, er is een oud stukje muur blijven staan aan de overkant van ons weggetje. De meertjes zoals die nu ons huis omringen waren er nog niet toen Aimée hier kwam wonen in de vijftiger jaren, alleen weilanden en een flinke beek waar de watermolen aan stond. Alles in de omgeving was van de baron, ook ons huis dat werd gepacht door de molenaar. “Oui, en René bracht dan het graan altijd in een zak naar de molen, waar het gemalen werd, waarna hij met de zak meel op zijn rug de heuvel weer opliep.” 

We zuigen haar woorden altijd op, zo lang het nog kan. Meestal komt ze wel met een voor ons nieuwe anekdote. De vorige keer toen ze hier was, vertelde ze schalks dat haar buurvrouw, met wie ze nu al 65 jaar om de zoveel tijd knallende ruzie heeft, ‘het vroeger met iedereen deed’. De hele streek wist het, ook haar man, maar ja, die dronk en was bovendien niet helemaal goed bij zijn hoofd. Hun eerste kind was niet van hem, zoveel was zeker. Dat zijn toch nuttige weetjes, niet?

Maar ze had vandaag niet veel tijd. Non, geen kop koffie. “Ik ben zo vroeg”, zei ze, “omdat mijn voordeur niet meer op slot kan, en op dit tijdstip komt er niet veel volk langs. Maar ik kan dus niet zo lang blijven.” Zo kwam het dat we haar even later in onze badjassen weer uitzwaaiden, terwijl ze voorovergebogen op haar kromme beentjes aan de klim de heuvel op begon. Haar handen om haar nu lege handtas op de rug. De eerste dunne sneeuwvlokjes begonnen te vallen. 

In quarantaine in het paradijs

Eigenlijk waren we altijd al in quarantaine hier. Daarom kochten we dit huis zeventien jaar geleden. Vanochtend maakte ik hier in de eindeloze heuvels een fietstochtje. Nu is dat niet zoveel bijzonders, maar deze keer was het een tochtje met toestemming van de Franse staat: in mijn broekzak had ik mijn Attestation de Déplacement Dérogatoire, ingevuld en ondertekend. Je weet het maar nooit. Maar ik kwam zoals altijd niemand tegen. Behalve dan twee reeën die verbaasd opkeken: wat doet die man hier, het jachtseizoen is afgelopen en bovendien mag toch niemand de deur meer uit in Frankrijk sinds een paar dagen? 

Nou ja, zonder geldige reden mag dat laatste niet. Maar op het formulier in mijn broekzak is een uitzondering gemaakt voor ‘déplacements brefs, à proximité du domicile, liés à l’activité physique individuelle des personnes, à l’exclusion de toute pratique sportive collective, et aux besoins des animaux de compagnie’. Ik mag dus wél – al is het kort, niet te ver van huis én in mijn eentje – iets sportiefs doen. En de hond uitlaten. Waarvan akte.

Het was een fijn fietstochtje in het paradijs, want het is hier schitterend weer. Het heeft weken alleen maar geregend, maar sinds de confinement – in goed Nederlands ‘lockdown’ – straalt de zon en is het voorjaar losgebarsten. En dat terwijl iedereen geacht wordt binnen te blijven, zo benadrukte de premier van Frankrijk gisteren nadrukkelijk op het Franse achtuurjournaal. Sowieso zijn ze hier goed in oorlogstaal. We zijn ‘en guerre’, en het leger wordt dan ook overal ingezet: om de politie bij te staan bij het bekeuren van mensen op straat, om noodhospitalen op te zetten waar dat nodig is, maar ook om ic-patiënten te evacueren van de Vogezen, waar erg veel besmettingen zijn, naar het zuidoosten van het land waar veel minder Corona-zieken zijn. 

Het is grappig om de verschillen te zien in, laten we zeggen, ‘landsaard’. In Nederland zijn de mensen onder deze crisis rustig, redelijk en volgzaam. In Frankrijk wordt gesputterd. De interviewster van het achtuurjournaal legde premier Édouard Philippe het vuur na aan de schenen, met cynische vragen op een lacherige toon of we nog wel een rondje mochten joggen. Hoewel Frankrijk een autoritair land is – of misschien wel juist daarom – is de bevolking kritisch en wantrouwend naar het gezag. 

In weinig landen in de westerse wereld is het vertrouwen in de overheid en autoriteiten zo klein als in Frankrijk. Onderzoek laat zien dat een derde van de Fransen vermoedt dat aids in een laboratorium is bedacht, en bijna de helft gelooft dat immigratie een doelbewuste poging is van de elites om de bevolking te vervangen. Maar liefst 55% van de Fransen denkt dat de autoriteiten samen met de farmaceutische industrie de schadelijkheid van vaccins verhullen. Zelfs de theorie dat de aarde plat is (in Frankrijk gepredikt door ‘les platistes’) is in Frankrijk populair. Waar in Nederland nog geen 1% zoiets mals bedenkt, gelooft in Frankrijk bijna 10% van de bevolking serieus dat we bij de neus worden genomen door instanties als NASA en zo. 

Fransen zijn ook buitengewoon vatbaar voor complottheorieën. Onlangs struikelde een studente in Frankrijk over een opmerkelijke passage in haar geschiedenisboek. Op pagina 204 van het op veel scholen gebruikte Histoire du XXe siècle en fiches gaat het over de aanslagen op het World Trade Center in New York en schrijft de auteur (het gaat om de door mij vetgedrukte bijzin met het vraagteken): “Het is in deze context dat Al-Qaeda is opgericht […] die de viervoudige terroristische aanslag van 11 september 2001 in New York en Washington heeft gepleegd. Deze mondiale gebeurtenis – ongetwijfeld georkestreerd door de CIA (geheime diensten) om Amerikaanse invloed in het Midden-Oosten op te leggen? – treft de symbolen van de Amerikaanse macht op zijn eigen grondgebied.” De studente was geschokt, vertelde het haar vader, die – zelf geschiedenisleraar – aan de bel trok. Het leverde, naast excuses van de uitgever en de auteur, een flink schandaal op in de pers en in Frans onderwijsland. Maar dit geval staat niet op zichzelf. Bijna een derde van de Fransen meent dat terreurorganisaties IS en Al-Qaida creaties van westerse inlichtingendiensten zijn. En zo’n 20% denkt dat het ‘niet echt zeker’ is dat de aanslag op Charlie Hebdo alleen door moslimterroristen gepland en uitgevoerd is.

Het vertrouwen in de medische wereld is ook maar matig. Ik ervoer dat aan den lijve toen ik onze vrienden en kennissen hier informeerde over mijn spierreuma. Van alle kanten werd ik meewarig aangekeken toen ik zei dat ik aan de prednison was. Direct werden mij allerlei websites en mailadressen doorgestuurd over voedselintolerantie en andere kwakzalverij. En elke keer als ik ze weer tegenkwam vroegen ze of ik al een test had laten doen, want dat ze een vriendin hadden die ook een auto-immuunziekte had en door het stoppen met het eten van tomaten als een wonder nergens meer last van had. Iedereen gaat hier naar de haptonoom en overal beginnen vrienden van ons over hoe je de gekste medische problemen op kan lossen met vitamines, plantaardige extracten en kruidenmengsels. 

Ils sont fous, ces Romains”, zei Obelix. “Rare jongens, die Romeinen”, werd het vrij vertaald in de Nederlandse versie van Asterix en Obelix. Maar dat geldt dan toch ook wel voor de Fransen. Rare jongens, die Fransen. Maar … er zijn slechtere plekken om in quarantaine te gaan. 

Saartje

Ik was denk ik een jaar of zeven toen ik – we hadden destijds nog winters – tijdens een sneeuwballengevecht met mijn zussen in de Rivierenbuurt in Amsterdam een sneeuwbal wilde maken en met mijn kleine handjes de sneeuw van het trottoir graaide. Vervolgens kneep ik er stevig in om er een goede harde bal van te maken. Opeens kleurden mijn handen bruin en gulpte er tussen mijn vingers een hondendrol onder de sneeuw vandaan. Sindsdien heb ik nooit veel met honden gehad. Maar een kleine vijf jaar geleden werd het toch opeens tijd voor een hond. Wat het nu precies veroorzaakte, weet ik ook niet meer. Op een dag zei ik tegen Caroline: “Als ik met pensioen ga, wil ik een hond”. Met zoiets moet je oppassen bij haar, want voor ik het wist kwamen er vervolgens elke dag foto’s van verbijsterend innemende puppy’s voorbij. Ik had geen idee waar ik aan begon.

“Als we dan ooit een hond nemen, dan wil ik wel een kortharige hond, want dat scheelt qua rommel in huis”, zei ze opeens een paar weken na mijn terloopse opmerking. Daar had ik nog niet over nagedacht, het was immers nog ver weg, dat pensioen. Nog weer wat weken verder: “Ik hou niet van honden die met hun staart omhoog lopen, dat vind ik een beetje onsmakelijk”. Ook dat leek me een prima uitgangspunt. Enfin, het was eigenlijk al snel duidelijk: het zou een Labrador moeten worden. Kortharig, een laaghangende staart en een echte mensenhond. Caroline wilde bruin, ik liever zwart. Maar het geval wilde dat ik nog helemaal niet met pensioen was of ging. Dat kon nog weleens een paar jaar duren, if ever.

Tot ik bedacht dat ik eigenlijk wel minder wilde werken. Minder hard en minder uren per week. Bovendien wilden we eigenlijk ook meer en langer in Frankrijk zijn. En dat kon zo langzamerhand alleen maar als we allebei daadwerkelijk onze werkomvang drastisch terug zouden brengen. Zo kwam de uitdrukking ‘de hond als breekijzer’ ons leven binnen. Als je eenmaal een hond hebt dan zal je, of je wil of niet, elke dag met hem of haar moeten wandelen. En kun je niet alle dagen van huis zijn voor werkafspraken. Een hond is een gezelschapsdier. Bovendien is het voor een hond veel en veel leuker op het platteland in Frankrijk, dus ja, dan moeten we daar toch echt vaker en langer zijn. Een hond als breekijzer voor een ander leven. De aankoop van een hond was plotseling een stuk dichterbij gekomen.

Al snel zocht Caroline – dit was blijkbaar meer haar taak – contact met fokkers. Niet zomaar fokkers, maar dan toch wel door de Nederlandse Labradorvereniging goedgekeurde fokkers. Logischerwijs eindigde die zoektocht bij een fokster in de buurt van Maastricht. Er was een nest op komst en we waren er bijtijds bij. Via Facebook volgden we filmpjes van de geboorte en van de eerste beweginkjes van de negen wurmpjes. Vier zwart en vijf bruin. 

Een jongen of een meisje, dat was nu de volgende vraag. Een jongen, leek mij. Ik had ook al een naam: Willem. Kwam geloof ik door Kees van Kooten die weleens anekdotes over zijn hond Willem had opgetekend. Het contact met een fokster moet je echter niet onderschatten. Een hond koop je niet zomaar. Tijdens de eerste telefoontjes werd er wederzijds wat afgetast. Op een zeker moment vroeg de fokster wat we zouden willen, een reu of een teef. Een reu, zeiden wij. De fokster dacht van niet. “Volgens mij past een teefje beter bij jullie”, zei ze. 

En toen trokken we op een dag naar Maastricht. We konden komen kijken naar de puppy’s die inmiddels vier weken oud waren, om ze – dat was althans onze verwachting – te beoordelen en een keuze te maken. Dat bleek echter geenszins het scenario van onze fokster: het waren wij die werden beoordeeld. Aan de eettafel volgde een heus examen. “Op tweehoog in de stad een hond?” “Jullie werken nog allebei?” “Gladde vloerbedekking?” Op alle fronten gaven we de verkeerde antwoorden. Maar waar het nu precies door kwam – ik denk de charme van Caroline, die is wel vaker van pas gekomen als het erop aankwam – op de een of andere manier slaagden we desalniettemin voor het examen en gingen we opeens over tot het bestuderen van de waanzinnig vertederende piepkleine hondjes. 

Van de negen waren er drie zwarte teefjes, dus een van die drie zou het moeten worden. De fokster maakte weliswaar nog even duidelijk dat de keus niet aan ons maar aan haar was, maar toch. Een van de drie lag de hele tijd op haar rug te slapen. Die viel af. Leek me later een saaie hond worden. Dan was er een die een beetje een dik hoofdje had, maar wel lekker actief. En de derde was een piepklein mormeltje dat haar uiterste best deed om onze aandacht te krijgen. Ze klom over de rand van de bak waar ze in zat, sprong in mijn hand, beet er met haar scherpe tandjes in, likte aan mijn vingers en maakte piepende geluidjes als we haar even geen aandacht gaven. De fokster vond haar wat druk, ze dacht dat ze klem gezeten had tijdens de bevalling. Toen we afscheid namen vroeg ze terloops: “En, hebben jullie een voorkeur misschien?” “Doe die kleine drukke maar, als het aan mij ligt”, zei ik. Een paar weken later konden we haar ophalen. We noemden haar Saartje.

Saartje bleek een enthousiast hondje. Vooral qua eten. Ze had altijd honger en at werkelijk alles op. Niet alleen etenswaren, maar alles wat ze maar op straat of in huis tegenkwam. Zo slokte ze tijdens een strandwandeling een enorme door het zeewater tot een fraai ei gepolijste steen naar binnen. Die vervolgens in haar darmpjes bleek te zijn blijven steken. Na een paar dagen kotsen en een röntgenfoto bij de dierenarts, bleek ze in levensgevaar, en moesten we haar met spoed naar een kliniek rijden, waar ze onmiddellijk geopereerd werd.

Toen ze weer thuis was heeft ze een week met een soort jurkje aan gelopen, om te voorkomen dat ze aan de wond ging likken. De dag nadat ze daarvan bevrijd was, at ze een enorme gele vaatdoek op, en begon alles weer opnieuw. Weer een röntgenfoto en weer naar de kliniek, waar de chirurg het niet zo’n goed idee vond om haar direct weer open te snijden. Ze bleef er een nacht en kreeg spul om zichzelf leeg te kotsen. De rest kwam er in de dagen daarna van achteren uit. Telkens als ik haar op straat uitliet, klonken de kreten van walging van de omstanders als ze zagen wat Saar op het trottoir achterliet aan gele brij. Ongemakkelijk, voor álle partijen.

Ze werd groter en zo ook haar darmpjes. Er bleef minder gauw iets steken. Maar toen begon ze opeens af en toe te hinken. In het begin nauwelijks merkbaar, maar gaandeweg steeds duidelijker. Er was iets met haar linker achterpoot. Na verloop van tijd toch maar weer naar onze dierenarts in Amsterdam. Opnieuw een foto. Ze twijfelde en wilde de mening van de orthopeed horen, maar in die tussentijd reisden we alweer af naar Frankrijk. Een paar dagen later belde ze de uitslag door: de orthopeed dacht dat de knieband gescheurd is en zag vocht en artrose in het gewricht. Hun advies was ontstekingsremmers te kopen en heel kalm aan te doen met haar, tot we over vijf weken weer terug waren in Nederland. Het werd er hier echter niet beter op, integendeel, eerder slechter. En dus besloten we met enige aarzeling om toch maar een afspraak met de dierenarts hier te maken, in Saint-Yrieix. Dezelfde die destijds ook Max, onze hengst, gecastreerd hadden. Hier op ons terrein. Ik zie de ballen nog liggen, achteloos achtergelaten in een smoezelige emmer. 

Mais oui, dat doen we hier wekelijks hoor. We snijden een stuk van een pees van de grote dijbeenspier los, leggen dat over het gewricht en zetten het onder haar knie vast. We gebruiken dat eigenlijk als een nieuwe knieband.” Hoewel hij niet de veearts was die Max had gecastreerd, en er ook wat diervriendelijker uitzag, klonk hij toch wel als een soort dokter Pol, zeg maar. Toch anders dan onze luxe dierenarts in Amsterdam-Zuid. Maar desondanks hadden we er wel vertrouwen in. “Laat haar maar gelijk hier”, zei dokter Pol en met haar hoofd omlaag sjokte Saar met hem mee op weg naar het slagveld. Net een zwaar gemoed liepen de ongeruste ouders naar buiten, de kille duisternis in.

Enfin, het kwam allemaal weer goed met Saar. Na een paar maanden revalidatie, inclusief aquajogging, liep ze weer met ons mee de heuvels in. Tot een paar dagen geleden. Gaandeweg die dag merkten we dat er iets met haar was. Ze gaf ’s middags over, haar hele lunch kwam er weer uit. Nou gebeurt dat wel vaker, maar ’s avonds werd haar gedrag vreemder. Ze had duidelijk pijn in haar buik. Ze likte zichzelf daar de hele tijd. En kroop telkens onder een stoel of onder onze benen, iets dat ze doet als ze pijn heeft, bescherming zoekend. Het werd almaar erger. Haar avondeten kwam er ook weer uit, en vervolgens begon ze te trillen en enorm te hijgen. Ze was duidelijk heel ziek. 

’s Avonds laat belden we toch maar de dienstdoende dierenarts, want we zagen ons zo de nacht niet ingaan. Maar hij stelde ons op de een of andere manier gerust en zo kwam het dat we toch maar naar bed gingen en Saar aan haar lijden overlieten. De nacht was echter verschrikkelijk. Ze kreunde en piepte, draaide almaar rondjes, kon nergens liggen en trilde als een gek. We namen haar maar op bed, waar ze de hele nacht radeloos doorging met rondjes draaien, af en toe trillend even liggen, weer opstaan en draaien. Arme Saar, ze moest uitgeput zijn. Wij ook natuurlijk, maar ze had duidelijk pijn. 

De volgende ochtend om acht uur stapten we in de auto om naar de dierenarts te scheuren. En het buitengewone is dat Saar, waar ze normaal nooit in de auto wil en er altijd sloompjes, met lichte tegenzin naar toe drentelt, nu mij voor ging en bijna naar de auto holde en voor de achterklep ging zitten wachten. Alsof ze begreep wat er ging (moest) gebeuren. Na ons verhaal gedaan te hebben lieten we haar achter bij de dierenarts voor onderzoek, een röntgenfoto en echo. 

Na een uurtje belde hij op met het vonnis: ze had (weer) een steen opgegeten. Die zat inmiddels aan het uiteinde van haar darmen klem en moest er onmiddellijk uit gehaald worden. Opnieuw een operatie. Aan het einde van de dag belde hij nogmaals om te melden dat de operatie wel goed was gegaan, maar dat het wel een zware ingreep was geweest. De steen bleek niet van het soort als het gladgepolijste ei van een paar jaar terug, die met een ‘simpel’ sneetje uit de darm kon worden gehaald. Deze caillou was vier centimeter groot en als alle keien hier met scherpe randjes rondom. Hij had de darm al behoorlijk beschadigd. Dus had onze dokter Pol een stuk van tien centimeter van haar darm weg moeten halen. Ze hielden haar een paar dagen daar om te zien of alles weer naar behoren zou gaan functioneren. 

Ongerust als we waren belden we elke dag even om te vragen hoe het met haar ging, enge complicaties waren niet uitgesloten. Maar na twee dagen wachten klonk door de telefoon het verlossende woord, we mochten haar op komen halen. Als iemand mij tien jaar geleden had voorspeld dat de tranen mij op dat moment in de ogen zouden schieten, dan had ik hem voor een gekkie versleten. 


Justine is ziek

Justine is ziek. Ze heeft het aan haar hart. Te nauwe bloedvaten, zegt ze. Justine bestiert de eetzaal van het kleine dorpsrestaurant, waar haar man onwaarschijnlijk lekker kookt. Ze is een fenomeen. Hoe zal ik haar beschrijven? Ze is denk ik achter in de veertig, zeer klein van stuk, heeft lak aan conventies, ook qua kledingstijl, zal ik maar zeggen. Ze ziet er niet uit, zo zou je het ook kunnen zeggen. Haar haar zit altijd alsof de föhn er halverwege mee ophield. Als het warm is zweet ze nogal en daar kleedt ze zich op: een buitengewoon vreemde luchtige blouse is dan ons deel. Dat zou niet zo’n ramp zijn als haar knokige lijfje iets aantrekkelijker was dan het nu is. Maar dat is niet zo. De eerste keer dat we bij ‘haar’ aten, en het menu hadden bestudeerd, gaven we bij de bestelling op dat we – gezien het feit dat het een lunch betrof en we niet zulke grote eters zijn – de kaasplank liever wilden overslaan. Justine reageerde als door een wesp gestoken, haar dunne wenkbrauwen omhoog: ‘Ici on mange du fromage!’, riep ze uit, duidelijk zonder weerwoord te verwachten. Ze had weliswaar een glimlach op haar gezicht, maar het was duidelijk, we hadden geen keus, hier wordt kaas gegeten … 

Enfin, we wenden aan elkaar. Zo’n vier keer per jaar krijgen we de heerlijkste gerechten voorgeschoteld, gemaakt door haar man, opgediend door Justine, altijd met een kwinkslag. Haar man had ik nog nooit gezien. Ik sprak hem alleen door de telefoon als ik weer eens een tafeltje wilde reserveren. “Ah, monsieur Pow!”, klonk dan zijn zachte stem door de telefoon. “Samedi, dejeuner pour deux personnes, c’est noté. À samedi!’ Hij kookt met de seizoenen mee, gebruik makend van hun eigen moestuin en boomgaard. Dus alle groenten zijn onvoorstelbaar smakelijk, de meiknolletjes, pastinaak, worteltjes, paddestoelen. De gefrituurde courgettebloemen, en in de desserts de kruisbessen, frambozen en aardbeien, allemaal uit eigen tuin. Hij kookt traditioneel Frans, en heeft dus altijd een klassieke tête de veau bij de voorgerechten staan, en vaak iets van rundvlees of vis bij het hoofdgerecht. Maar God, wat smakelijk bereid! Niets à la carte, gewoon een klein menu en een iets groter menu. Maar alles zo goed dat hun restaurant jaarlijks door Michelin wordt onderscheiden met een Bib Gourmand, de erkenning dat er uitzonderlijk goed eten wordt geserveerd tegen acceptabele prijzen. En zo is het. 

Erbij komt dat het restaurant is gevestigd in een oude herberg in een piepklein gehuchtje in de Corrèze, tegenover de kerk. Tussen de kerk en de herberg, op het kerkplein, stond vierhonderd jaar lang een linde. Onder het bewind van koning Hendrik IV rond 1600 gebeurde er namelijk iets bijzonders. Hendrik IV (moet natuurlijk Henri zijn, op zijn Frans) was volgens overlevering niet alleen een kundige koning, maar ook een kleurrijk figuur. Zo wenste hij dat iedere boerenfamilie elke zondag een kip in de pot kon hebben en hield hij van afwisseling: hij scheen er in de loop der tijd enkele tientallen maîtresses op na te hebben gehouden. Maar, en daar gaat het hier om, hij gaf ook zijn minister Sully opdracht tot het plaatsen van met name lindebomen, iepen en eiken, overal in Frankrijk langs de hoofdwegen van Frankrijk, én in elk dorp op het plein voor de kerk. Of ze ervoor bedoeld waren weet ik niet, maar die lindebomen op het kerkplein werden vervolgens veelal gebruikt als onderkomen voor de dorpsvergaderingen die aan het einde van de mis werden gehouden om de zaken van de parochie te regelen. Ze zijn een begrip geworden in Frankrijk, les tilleuls de Sully. Je ziet het voor je: de eenvoudige boeren en hun families komen uit de kerk, waar de pastoor hen zojuist streng heeft toegesproken, ze bespreken vervolgens hun altijd netelige dorpskwesties onder de linde, en schuiven vervolgens de herberg in, waar de gesloten compromissen met wijn worden overgoten. Men kan er weer een week tegen. De vierhonderd jaar oude boom op het plein voor onze herberg werd in 1999 in de grote storm die toen over Frankrijk raasde door de bliksem getroffen. Hij heeft het nog heel even uitgehouden, maar liet uiteindelijk het leven, en is een paar jaar later weggehaald.

Binnen in het restaurantje is het alsof je terug in de tijd gaat. De oude bar van de herberg staat er nog, al is die niet meer in gebruik. Er is een enorm open vuur in een oude schouw, waar Justine af en toe een flink blok hout opgooit, waardoor als de wind verkeerd staat en de schoorsteen even niet goed trekt, de clientèle soms in een wolk van fijnstof en koolmonoxide het goddelijke dessert nuttigt. Er staan maar een stuk of zes tafeltjes, en in de zomer als het echt warm is, dekken ze in de tuin onder een oude kastanjeboom een paar tafels. De herberg wordt al een eeuw of zo gerund door de familie van Justine. Zij en haar man woonden tot voor kort ook boven het restaurant, samen met hun twee kinderen.

Maar goed, waar waren we? Justine had ons al eens gemeld dat het niet echt heel goed ging met haar.  “Alles is te klein aan mij, ook mijn bloedvaten”. Ze had al vier stents moeten laten plaatsen en dus ook af en toe het werk even moeten laten voor wat het was. Van de zomer hadden we weer eens gereserveerd, en omdat het warm was aten we in de tuin. Tot onze schrik merkten we dat Justine er niet was en dat ze was vervangen door een onbekende dame. Die avond realiseerden we ons opeens hoe belangrijk Justine eigenlijk altijd was geweest. Er ontbrak iets. Het eten was als altijd wel goed, maar het was de afwezigheid van Justine die een ontheemd gevoel bij de gasten teweegbracht. Blijkbaar draaide het toch, meer dan gedacht, ook om haar. Bezorgd reden we die avond in het donker naar huis.

Een paar maanden later, inmiddels herfst, belde ik weer eens. “Ah, monsieur Pow! Samedi ? Non, samedi nous sommes complet, mardi et mercredi aussi. Alors jeudi? Pour deux personnes? Très bien, c’est noté!” Het ging blijkbaar goed, zo vaak was het niet vol.  Benieuwd reden we die donderdag de heuvel op en parkeerden onze auto voor de kerk. We daalden af naar de herberg, langs de nieuw geplante linde. Zou Justine weer terug zijn? Maar nee, we werden voor het eerst ontvangen door haar man, de kok. Die zich altijd schuw – dacht ik – in de keuken ophield, en die we dus nog nooit hadden ontmoet, maar nu als een volleerd gastheer de klanten ontving. “Justine is nog niet terug”, zo zei hij, “waarschijnlijk in januari. Ze moet rust nemen”. En ze hadden besloten om geen vervangster aan te nemen. Hij deed het nu gewoon allemaal zelf. Koken, bedienen, praatje maken, afrekenen. Om die reden namen ze maar voor tien tot twaalf mensen een reservering aan. Meer kon hij in zijn eentje niet behappen. Was dat niet problematisch, qua inkomen en zo? “Nee”, zei hij, “ik ben geen materialist. Ik hoef niet veel spullen. Ik wil vooral lekker koken, dan is het leven goed”. 

Alles was als vanouds. Sterker nog, het was heel bijzonder. De chef bleek een uitstekende gastheer. Ontspannen en op zijn geheel eigen wijze gaf hij sjeu aan de avond. Geen gezeur van ‘eet smakelijk’, dat sprak wel vanzelf. Maar wel tijd om tussen de gerechten door even uit te leggen waarom hij bepaalde zaken met elkaar had gecombineerd. Of om een grapje te maken, geheel in stijl met de aanpak van Justine. Het was alsof je bij hem thuis at, af en toe moest ie even naar de keuken en hoorde je hem de net bestelde sint-jakobsschelpen bakken. De intieme sfeer zorgde er ook voor dat er tussen de gasten – er waren twee andere tafeltjes bezet, in totaal waren we met zijn zevenen – een soort saamhorigheid ontstond. Ons allen bewust van het gedenkwaardige karakter van deze middag. Het komt niet vaak voor dat de kok direct ervaart hoe heerlijk zijn gasten het voorgeschotelde gerecht vonden. Natuurlijk kreeg Justine vaak het compliment, dat ze geacht werd door te geven. Maar nu zagen we hoe innig tevreden de chef wegliep met de lege borden, en hoorde je hem vervolgens in de keuken zachtjes neuriënd bezig met het vervolg. Natuurlijk zullen we blij zijn als Justine terug is, maar dit hadden we niet willen missen. We mochten zelfs de kaasplank laten staan.

Château de Montintin

Dwars door de geschiedenis loop je hier. Vandaag maakten we een lange wandeltocht door de bossen van Fayat. Een uitgestrekt heuvelachtig, dicht bebost gebied, waarin af en toe verscholen in het woud kleine meertjes opduiken. En waar je soms langs eeuwenoude paden loopt, met langs de kant nog enorme keien uit de Romeinse tijd. Diep in een donker deel van het bos stuitten we op een mysterieus gehuchtje, een verzameling huisjes rondom een klein kasteel, dat zich grotendeels schuilhield achter hoge muren en hoge hekken, Château de Montintin. Twee ronde torens met grijze leistenen daken, door wingerd overwoekerd, flankeerden het kasteeltje. Door het hek met hoge tralies konden we een glimp van het gebouw opvangen. Geen mens te zien. Toen ik een van de muren probeerde te beklimmen om iets meer te zien van het château, klonk er van het terrein een dreigend gegrom en geblaf. Er hing een geladen atmosfeer. Alsof er iets zwaars had plaatsgevonden.

   ’s Avonds zocht ik naar informatie over het kasteel op internet. Mijn zware gevoel bleek gegrond. Het was in de oorlog een opvanghuis voor Joodse jongens. Vanaf mei 1940, na de capitulatie van Frankrijk, werden Joden van alle nationaliteiten behalve de Franse (onder andere uit Duitsland, Oostenrijk, België, Nederland) gedeporteerd en ondergebracht in het concentratiekamp Gurs in de Pyreneeën. De omstandigheden in het kamp (waaruit de filosofe Hannah Arendt zou ontsnappen) waren slecht en het sterftecijfer was dan ook hoog als gevolg van de minimale medische voorzieningen, epidemieën en ernstige voedseltekorten. Een Joodse hulporganisatie, de O.S.E. (l’Œuvre de Secours aux Enfants) kreeg in 1941 van de Vichy-regering toestemming om kinderen uit het kamp te halen en die te plaatsen in opvangplekken verspreid over Frankrijk. 

Concentratiekamp Gurs in de Pyreneeën

   Een van de kinderen die uit het kamp Gurs werden weggehaald was Ehud Loeb, die als Joods jongetje in 1934 in Bühl, een stadje in Baden-Württemberg, in het zuiden van Duitsland vlakbij de Franse grens, onder de naam Herbert Odenheimer was geboren. Op zesjarige leeftijd werd hij samen met zijn ouders en de andere Joden uit zijn stad gedeporteerd naar het kamp in Gurs. Hier verbleef hij vier maanden, een periode die hij later als verschrikkelijk zou omschrijven. Hij werd direct gescheiden van zijn vader, en werd gedwongen om te werken. In het begin kon hij nog bij zijn moeder in het kamp blijven, ​​wat hem wat troost bracht. Maar dat zou niet lang duren. Op 15 februari 1941 had de O.S.E. van de Vichy-regering toestemming gekregen om kinderen uit het kamp Gurs te halen, en die te plaatsen in opvangplekken verspreid over Frankrijk. Ehud: “Ik zag twee mensen die Frans spraken tegen mijn moeder, die erg bleek was. Ze tilde me op, hield me tegen haar aan met al haar kracht die ze nog had en fluisterde in mijn oor: ‘Herbert, ga met ze mee, ze brengen je naar een veilige plek. Zij zullen goed voor je zorgen en ik zal later komen’. Voordat ik tijd had om te reageren, was ik al in de armen van een man die gehaast de barak uit holde en met mij in zijn armen het hek door liep”.

Herbert werd door de O.S.E uit het kamp weggehaald bij zijn ouders (die kort daarna in Auschwitz zouden worden vergast) en geplaatst in een van hun tehuizen in de Limousin, het Château de Chabannes in Saint-Pierre-de-Fursac. Na een aantal invallen door de Franse politie werd Herbert overgebracht naar een ander tehuis, Château de Montintin, het kasteel waar we vanochtend tijdens onze wandeling op stuitten.

Herbert Odenheimer/Ehud Loeb met zijn vader vlak voor de oorlog

   Hier bevonden zich, toen Herbert er arriveerde, zo’n honderd jonge Joodse jongens, voor het grootste deel van Duitse afkomst. Ze kregen er onderwijs en werden beziggehouden met allerlei activiteiten, er was onder andere een timmerwerkplaats. De lokale omgeving hielp een handje, zowel door het kasteel te voorzien van etensmiddelen, maar ook door jongeren op te vangen als er weer eens een inval plaatsvond. Herbert omschreef in zijn memoires de bijna militaire training die ze kregen om zich voor te bereiden op een eventuele vlucht: “Geregeld werd er ‘s avonds een klok geluid, waarop alle kinderen onmiddellijk uit hun bed moesten klimmen, zich aankleden en op volle snelheid het bos in rennen. Voor het slapen gaan vouwden we zorgvuldig onze kleren op, om te voorkomen dat het aankleden te lang zou duren.” 

   Herbert zou de oorlog overleven. Hij werd na zijn verblijf in Montintin bij een kapper in een dorp in de buurt ondergebracht, waar hij echter werd mishandeld en als slaaf gebruikt. Na een maand werd hij er weggehaald door de O.S.E. en bij de familie Roger in Buzançais ondergebracht. Daar verbleef hij de rest van de oorlog, op een kleine onderbreking na (toen hij tijdelijk bij hun grootmoeder moest worden ondergebracht). Herbert zou zich deze periode als een van de beste van de oorlog herinneren. Dankzij de liefde en warmte van de familie Roger vond Herbert weer vertrouwen in zichzelf en in de mens. Hij noemde meneer Roger ‘Papa’. Ehud: “… maar meneer Roger zei, terwijl hij mijn wang streelde: ‘Ik ben niet je vader, voor jou zijn wij als een oom en een tante. En, terwijl hij me omarmde, voegde hij eraan toe: ‘Binnenkort zal de oorlog voorbij zijn en je ouders zullen je komen halen.”

Toen de oorlog eindigde keerde Herbert terug naar het kindertehuis, waar hij wachtte tot zijn ouders hem kwamen ophalen, zoals meneer Roger beloofd had. Ehud: “Er waren veel kinderen die ook aan het wachten waren op hun ouders. Elke dag kwamen er vaders, moeders, ooms, tantes, hen ophalen. Het aantal kinderen in het tehuis daalde gestaag. Dag na dag zag ik mijn kleine vriendjes een vader omarmen, een moeder, een oom, een neef … Ik was jaloers, natuurlijk: ik bleef uiteindelijk alleen achter, en ze brachten mij terug naar de familie Roger.” In 1946 meldde de O.S.E. zich weer: er was familie gevonden in Zwitserland die hem wel wilde opnemen, de familie Loeb.

Jules en Jeanne Roger, met hun zoon Robert, 1947

Herbert Odenheimer was toen 12 jaar en wilde niets liever dan stabiliteit in zijn leven, en zich installeren bij zijn familie die hij had leren kennen en van wie hij was gaan houden, de familie die hem had gered, die over hem had gewaakt en die zo goed voor hem had gezorgd. Ondanks de pijn van de scheiding legde de familie Roger aan Herbert uit dat hij moest opgroeien met zijn familie in Zwitserland. Madame Roger begeleidde hem tijdens hun eerste ontmoeting. Hij werd officieel geadopteerd en hervond daar langzaam maar zeker een normaal leven. In 1958 emigreerde Herbert naar Israël. Bij aankomst veranderde hij zijn naam in Ehud. Hij trouwde, kreeg kinderen en kleinkinderen, promoveerde in de kunstgeschiedenis en werkte als kunsthistoricus aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem en het Israël Museum. Na zijn pensionering werd hij vrijwilliger in Yad Vashem.

Ehud bleef zijn redders heel erg dankbaar. Na het einde van de oorlog bleef hij met hen in contact en bezocht ze bijna elk jaar. Eenmaal getrouwd bleef hij hen met zijn vrouw en kinderen opzoeken en hij zette ook het contact met hun zoon en dochter en de kleinkinderen voort. Yad Vashem verleende in 1989 het echtpaar Roger, Jules en Jeanne, de titel van ‘Rechtvaardige onder de Volkeren’, en in 2009 ook aan de grootmoeder, Louise Roger. Ehud Loeb overleed op 83-jarige leeftijd in Jeruzalem.

Ehud Loeb op 82-jarige leeftijd

   Zwarte raven vlogen op uit de toppen van de hoge, donkere bomen rondom het kasteel, toen we vanochtend huiswaarts keerden. Hun krassend geluid weerklonk tussen de kale stammen. Landschappen, huizen, plekken. Bezield door de loop van de geschiedenis, hun onschuld verloren. 

De boomklever

Er is iets vreemds aan de hand. We hebben hier in huis twee klokken aan de muur. In de woonkamer een antieke Franse stationsklok, die al heel lang op tien voor half acht staat en niet meer verder wil. En in de keuken een eveneens oude ronde klok, die het tot voor kort nog deed. Hij was ons baken in ons verder tijdloze bestaan hier. Maar onlangs hield die er ook mee op. Een paar dagen beleefden we de tijd op de tast. Op de zon, op het licht. Even was er een aarzeling. De keukenklok vervangen? Of het als een teken beschouwen? Op een dag was hij toch opeens ingeruild voor een nieuw exemplaar. Die blijkt nu met een snoeiharde tik elke seconde die voorbijgaat te beklemtonen. De kloktijd is terug.

We moeten het nog maar eens over tijd hebben. Ik heb – en ik ben vast niet de enige – last van het zandloper-syndroom. Je gaat twee weken op vakantie, de eerste dagen ben je ontspannen en strekt de tijd zich voor je uit, maar dan. Na een week kantelt het: je bent over de helft en begint af te tellen. De lol is er eigenlijk al af. Dat gaat niet alleen op voor twee weken, maar ook voor vier weken, dan kantelt de boel na twee weken. Je begint opeens te berekenen hoeveel dagen je nog hebt, je werpt je wanhopig op de dingen die je je nog had voorgenomen te doen. En de laatste paar dagen kruipt je andere leven alweer in je hoofd. Onhandig. Zo is een vierweekse vakantie maar twee weken leuk. Het zandloper-syndroom gaat zelfs op voor een periode van tien weken, merkte ik: na vijf weken, als er meer zand ónder in de zandloper zit dan boven, komt de dip.

En, nu komt het grotere probleem, het gaat ook op voor het leven: rond je veertigste besef je dat je de heuvel over bent, vanaf dan gaat het bergafwaarts, richting het einde. Of eigenlijk is de heuvel geen goede metafoor, het is meer een dal. De eerste helft freewheel je moeiteloos naar beneden, tot je op het laagste punt bent, en dan begint de moeizame klim naar het einde.

En daar wil ik vanaf. Het is mooi geweest, dat gemekker over de vergankelijkheid. Mijn hele leven al zeurt er een stem in mijn hoofd die telkens weer mompelt: ‘alles gaat voorbij, niets blijft’. Als het ergens kan – anders omgaan met de tijd – dan is het hier in Frankrijk, op deze door God en iedereen vergeten plek op het verlaten platteland in een uithoek van een departement, waarvoor zelfs de overheid de term ‘onderontwikkeld gebied’ gebruikt.

Elke keer als ik hier aankom is het eerste wat ik doe, mijn horloge afleggen. Op een vaste plek. De kloktijd wordt ingeruild voor een ander soort tijd. Wat Henri Bergson noemde: de ‘tijd van de duur’. Het leven hier is een pleidooi voor traagheid. En tegelijk ook dé plek om daarmee te oefenen. Soms is het inderdaad alsof we uit de tijd gestapt zijn. De dagen strekken zich uit en lijken eindeloos. In een eerder boek over het leven hier – Verstilde tijd (2015) – beschreef ik hoe hier de tijd af en toe lijkt stil te staan. In Smeltende sneeuw (2016) hoe desalniettemin de tijd haar werk doet. Natuurlijk is het een illusie: ook hier gaat alles gewoon voorbij, en verandert er voortdurend iets. En ook hier voel ik hoe de tijd door mijn vingers glipt. Nu, in deze volgende fase van mijn leven – zonder werk en de daaraan gekoppelde verantwoordelijkheid en verplichtingen – wil ik de methode van Bergson gaan toepassen. De tijd als duur beleven.

Ik schreef al eens over hoe mijn streekgenoten tijd leken te máken. Als ik tijdens een fietstochtje op de heenweg in het buurgehuchtje twee boeren met elkaar zag staan praten, tegen de tractor geleund, wist ik vrijwel zeker dat ik ze een uur later – als ik op de terugweg dezelfde plek weer zou passeren – precies zo zou aantreffen als ik ze had achtergelaten. Het duurde een paar jaar tot ik doorkreeg dat het niet zomaar een idee was, een anekdote, een van die clichés die je nu eenmaal beschrijft als je hier woont. Nee, langzaam maar zeker begon ik te ervaren dat er hier echt heel anders met tijd wordt omgegaan.

Onlangs nodigden we een aantal mensen uit onze coin uit voor een kop thee met taart. Om half vier druppelden de gasten binnen. Vier uur later stond de eerste op, om daarna nog een klein uur al staande het gesprek af te maken. Ook onze werklui die hier een paar weken bezig waren met het metselen van een prachtig muurtje van stenen van het land, lieten ons zien hoe ze hier met de tijd omgaan. Ze reden wel elke dag heel vroeg ons terrein op, maar het werktempo lag heerlijk laag. Geregeld even een sigaretje, zittend op een steen. Even kalmpjes naar de muur in opbouw staren. We vroegen ze om met ons een kop koffie te drinken. Dat leek ze wel een goed idee. Een uur later stonden ze langzaam op om weer een paar steentjes te metselen. Het was hun eigen keus om de tijd te nemen, en dus lang over een klus te doen. Ze verdienden er minder door, maar waren wel rustiger in hun hoofd, leek me. En Gérard, onze goede vriend hier, neemt ons bijna dagelijks mee in zijn ander soort tijd: hij wipt even aan, en blijft zomaar een uur of meer babbelen. En dat doet hij morgen weer. Zonder enig gevoel van haast of iets gemist te hebben …

Aan de slag dus! Natuurlijk kennen we het allemaal wel af en toe, dat de tijd lijkt weg te vallen. Als je vrijt, sport, luistert naar muziek, of anderszins sterk gefocust bent op waar je mee bezig bent, verlies je soms het besef van tijd, en kom je in een andere dimensie terecht. In mijn jonge jaren, waarin we hongerig de boeken van Maslow tot ons namen, zochten we die ‘piekervaringen’ bewust op. Opwindende momenten waarin je samenviel met de wereld om je heen. Waarin die zo vervreemdende afstand tussen jezelf en de wereld opeens was verdwenen. Soms met hulp van wat geestverruimende middelen. Het leverde niet alleen even een interval in de doortikkende tijd op, maar ook een gevoel van harmonie, van bezieling, van betekenis, van zin. In een verder zinloze wereld.

Helemaal vreemd is het mij dus niet. Maar het is tijd om voorbij de piekervaringen te komen. Voorbij louter moménten van een andere tijdservaring. Op naar een leven zonder het juk van de almaar doortikkende tijd! Ik lees Joke Hermsen, die schrijft over de Griekse goden Kairos en Chronos. Waarbij Chronos staat voor de praktische tijd waarmee we de wereld inrichten, afspraken maken en agenda’s bijhouden. En Kairos voor de tijdelijke onderbreking van die kloktijd: voor een dimensie van tijd die ‘weldadiger, want voller en ruimer aanvoelt’. Die almaar wegtikkende, monotone kloktijd doet geen recht aan onze subjectieve ervaring van tijd. Terwijl op de klok elk uur altijd gelijk is aan ieder ander uur, weten we dat een uur – al naar gelang onze stemming of bezigheid – traag kan voortkruipen of voor je het weet voorbij is.

Maar hoe doe je dat? Hoe leef je de tijd ‘als duur’? De weinige suggesties wijzen allemaal in de richting van aandacht. Het creëren van het ‘kairotische ogenblik’ betekende in de klassieke oudheid zowel een goede ‘timing’ als het grijpen of benutten van de juiste kans of gelegenheid, die zich dankzij concentratie, alertheid en een zorgvuldig bestuderen van de omgeving aan je kon openbaren. Goed opletten dus! Aandacht en rust. Klinkt simpel. Maar ik heb al eens in een ver verleden dagelijks op een zen-kussentje gezeten, en dat was weliswaar best exotisch en spiritueel, maar hielp uiteindelijk geen donder. En toch heb ik nu het gevoel dichterbij te komen. Ik krijg meer tijd en ruimte, om niets te doen. En nietsdoen komt behoorlijk in de buurt van aandacht en rust.

Janwillem van de Wetering, de auteur van de boeken over de Amsterdamse politiewereld van Grijpstra en De Gier, en lang een fanatieke Zenboeddhist, beschreef eens hoe hij Central Park uit kwam en op Fifth Avenue een drumband van jongetjes uit Harlem zag lopen, gevolgd door een schoolklas dikke meisjes. Hij was moe, hield de dag wel voor gezien en liep naar zijn auto om naar huis te rijden. Iedereen zag er moe uit. De jongens en meisjes marcheerden zo te zien al sinds de vroege ochtend, vanaf het zestig blokken verderop gelegen Harlem. Ze zagen er murw uit in hun versleten en te vale pakjes. Terwijl hij bedrukt keek naar het treurige schouwspel en zich het moeizame leven van de kinderen voorstelde, brak opeens de zon door en raakte de eerste stralenbundel het voorste trommelaartje. “De bliksem van het heelal sloeg in dat ventje, dat zijn drumstokjes trok en raak sloeg, tik tak, met een droge precieze ratel die de hemel los liet barsten. Zijn maatjes vielen al in. De geesten van Philley Joe Jones, Art Blakey en Max Roach gleden in de jochieszieltjes. Solo’s en samenspel wisselden elkaar af. Een trompet spiegelde zonlicht, beet zich door en over het trommelritme heen. ‘So what’ blies het trompetje, ter ere van Miles Davis. De dikke meisjes dansten met hun juichende stapjes. Publiek op beide stoepen klapte, zong, danste.”

Aandachtig kijken dus. En ik denk dat er ook verbeelding nodig is, en plezier. Dan kan het zomaar gebeuren dat ‘de hemel open breekt’ en merk je dat je glimlacht. Ook al is er een hoop ellende en verdriet op de wereld en heeft het allemaal geen zin.

Net liep ik nog even naar buiten, door ons bos naar de achterkant van het meer. Het was stil, de dag liep op zijn einde. De paarden kwamen nieuwsgierig bij me kijken. In het meer sprong een karper op uit het stille wateroppervlak. In de verte blafte een hert. Ik hield stil, bleef nog lang staan en hoe langer ik daar stond, hoe meer ik zag en hoorde. Rond de stam van de kale eik bewoog iets, een beetje schokkerig. Het duurde even voordat ik doorhad dat het een boomklever was, druk met insecten zoeken. Opeens roffelde hij als een specht met zijn stevige snavel in een vermolmde tak. Zijn blauwe rug en oranje buik lichtten op in het late zonlicht. De gitzwarte streep boven zijn oog liep door in de snavel die als een dolk in het hout werd gerost. Ik keek en luisterde.

Geen idee hoe lang ik er stond. Het schemerde al toen ik huiswaarts keerde. Een groene specht vloog verstoord op en maakte zich met een enorm kabaal uit de voeten. Terugkerend vanuit het bos lag daar beneden aan het meer ons huis, de ramen al verlicht. Over het huis heen zag ik in het westen de avondlucht roze kleuren, fel oplichtende gaten tussen de paarsblauwe wolken. Een boomklever leeft maar kort, las ik laatst ergens, hooguit twee, drie jaar.

Winterslaap

Het schijnt dat de Romeinen, van wie we de namen van onze maanden hebben overgenomen, oorspronkelijk maar tien maanden op hun kalender hadden staan. Het jaar begon in maart, en de laatste maand van het jaar, december, werd gevolgd door een naamloze winterperiode. Daar zit wat in. In januari en februari gebeurt hier namelijk niets. Alles staat stil. Een verbijsterende rust treedt in. De moestuinen liggen er droef bij. Elk erf bij elke boerderij is een troosteloze blubberpoel. De bomen zijn kaal, kleur is uit het land verdwenen. Evenals de vogels. Winterslaap.

   Later – evengoed nog wel wat eeuwen vóór Christus – kwamen januari en februari erbij. Het schijnt dat de naam ‘februari’ van het Latijnse februare komt, dat ‘reinigen’ of ‘zuiveren’ betekent. Vandaar dat ik als katholiek knaapje in mijn jeugd in februari moest vasten. Nou ja, vasten … Het beperkte zich tot het opsparen van alle snoep en koek die ik kreeg. Die stopten we dan in een speciaal trommeltje, waar we alleen op zondag een snoepje uit mochten halen. Met Pasen mocht je dan eindelijk beginnen met alles in een keer op te vreten. Ik ben mij nooit zo bewust geweest van de symbolische betekenis van het vasten, moet ik eerlijk zeggen. Heb het niet zozeer als reinigend ervaren. Wél gaf het een gevoel van rijkdom, zo’n goedgevuld trommeltje met snoep. Misschien dat ik daardoor heb geleerd om te sparen. 

   Enfin, ik dwaal af. Misschien moet ik dus maar op die manier naar februari kijken. Het is hier namelijk al weken verschrikkelijk weer. Grijs, nat en koud. Er rest niets dan een sterk verlangen naar het voorjaar. Maar wellicht moet ik die oneindige rust eens tot mij door laten dringen en overgaan tot zelfreflectie en bezinning. Mezelf leeg te maken. Reinigen. Op zoek te gaan naar … ja, naar wat? God is ergens rond mijn tiende jaar verdwenen. Mijn ouders lieten de kerk voor wat hij was, en ik met hen. En sinds ik Primo Levi gelezen heb, toen ik een jaar of 25 was, weet ik dat God ook nooit bestaan heeft. 

   Maar ach, een beetje bezinning, waarom niet? Gisteren, op een wandeling met mijn liefde en met labrador Saar, liepen we in zo’n ongelooflijk stil landschap dat we tot drie keer toe stopten met lopen en telkens minutenlang stil bleven staan luisteren naar echte volledige stilte. Geen enkel geluid. Er was geen wind, geen mens, geen vogel, geen waterstroompje, geen tractor, geen vliegtuig. Niets. Alleen maar stilte. En we lieten haar binnenkomen. Saar begreep het niet helemaal. Ze keek bevreemd naar ons omhoog en deed maar een beetje mee, om een brave hond te zijn. Neus in de lucht. 

   Het bleek een stilte voor de (sneeuw)storm, want die avond begon het te sneeuwen. En daar knapt februari van op! Vanochtend lag er op elk takje, van elke boom een mooi wit laagje sneeuw. Opeens leven we in een schilderachtige wereld. Op de wandeling met Saar verrassen we een ree, dat zigzaggend wegspurt, met Saar in haar kielzog. De witte vlek op haar billen goed zichtbaar. Was het wel een ree? En was het een vrouwtje of een mannetje? 

   Het heeft even geduurd voor ik de Fransen goed begreep op dit vlak. Ze hebben het hier namelijk steeds over drie soorten herten: een cerf, een biche en een chevreuil. Die laatste, chevreuil, dat is wat wij een ree noemen. Die zie je hier overal en heel vaak. Komen ook af en toe op ons terrein. Een cerf is wat wij een edelhert noemen. Die heb ik hier één keer gezien. Een enorm hert met een enorm gewei. Een biche is het vrouwtje van het edelhert. Zij is een stuk kleiner dan haar mannelijke soortgenoot, maar wel weer een stuk groter dan een ree. En ze heeft een kort staartje. In het Nederlands noemen we dat geloof ik een hinde. Om het verhaal compleet te maken: ook reeën kunnen een mannetje of een vrouwtje zijn: een brocard of een chevrette. In goed Nederlands een bok en een geit. Maar daar hoor ik de Fransen nooit over. Als ze het over reeën hebben, praten ze alleen maar over chevreuils

   Wat we net zagen was een ree, zover was ik wel. Maar een brocard of een chevrette? Je zou denken dat het gewei hierover uitsluitsel geeft. Maar dat is – tijdens de winterperiode – te simpel gedacht. Bij de mannetjes sterven namelijk elk jaar hun geweien af, om in het voorjaar weer aan te groeien. Bij een ree sterft zijn gewei al in november af en heeft hij in april, in het voorjaar, een nieuw. Het edelhert doet er langer mee: hij verliest zijn gewei pas zo’n beetje eind maart en heeft dan in juli weer wat nieuws op zijn hoofd. Om in de winter een vrouwelijke ree van een mannelijke te onderscheiden valt dus nog niet mee. Het enige houvast is de vorm van de witte vlek op hun kont. Bij de vrouwtjes heeft die de vorm van een hart. Bij de mannetjes de vorm van, tja, van een boon, zeggen ze. Er zijn grenzen aan mijn waarnemingsvermogen, gewoon een ree dus maar. 

   ’s Middags zette de sneeuw door. Van een paar kleine vlokken tot een hemels bed van dikke sneeuwval. Langzaam maar zeker werd de wereld helemaal wit. Ook het meer, want door de vorst van vannacht lag er een laagje ijs op. Aan het eind van de middag maakten we nog een laatste ommetje met Saar, in de vallende sneeuw. Langzaam viel de schemering in, en toen we huiswaarts liepen zagen we ons huis omgetoverd in het decor van een romantische komedie. Het is op de valreep goed gekomen met februari.