Categorie archief: Geen categorie

Huiselijk geweld

Van de week zijn we ’s nachts toch maar uit bed gekropen en half aangekleed het bos ingelopen, bijgelicht door het schamele schijnsel van de zaklampfunctie op onze iPhone. We hadden de paarden als een gek horen galopperen en briesen, en werden te ongerust. Eenmaal buiten zagen we echter niets onheilspellends. En toen we het bos inkwamen met onze lichtgevende telefoons schrokken de paarden zich de pleuris en denderden weg. Dat was dan wel weer geruststellend, aangestoken als we waren door de rondreizende angst hier.

Op 12 februari van dit jaar werd in de vroege ochtenduren in Château-Salins in het noordoosten van Frankrijk een paard dood en verminkt aangetroffen, waarbij een van de oren was afgesneden. Sindsdien zijn er de afgelopen maanden in veel meer departementen vergelijkbare aanvallen op paarden, ezels of pony’s gemeld. De politie heeft het over zo’n dertig bewezen gevallen, maar op een platform van paardeneigenaren staan inmiddels 180 incidenten beschreven. Bij twintig van de genoemde dertig gevallen was een oor afgesneden, maar er was ook sprake van uitgestoken ogen en verminkte genitaliën. 

Het is onbegrijpelijk, maar waar. En het zijn niet zomaar ‘gekkies’ die dit doen. De bijna chirurgische precisie waarmee de oren zijn afgesneden suggereert, aldus een Franse dierenarts op televisie, dat de daders een grote kennis van de anatomie van de paarden bezitten. Soms was er een neusklem gebruikt, een instrument waarmee lastige paarden kunnen worden gekalmeerd. Dan moet je echt wel iets van paarden weten. Hoewel veel aanvallen in het noorden van Frankrijk hebben plaatsgevonden gaat men er toch van uit dat het onmogelijk het werk kan zijn van een en dezelfde verdachte. Zo werden op 23 en 24 augustus in drie Franse departementen die enkele honderden kilometers uit elkaar liggen, drie dode paarden gevonden. 

Waarom mensen zoiets doen? Hypothesen variëren van de een of andere vorm van fetisjisme of een satanisch ritueel, dan wel kopieergedrag aangejaagd door de recente aandacht in de media, tot – uiteraard, in het huidige tijdperk van complotdenken – een criminele groep die paardenorganen of -bloed verkoopt. Hoe dan ook, zo langzamerhand is de angst onder paardeneigenaren in het hele land flink toegenomen. En bij ons dus ook. Elke ochtend kijken we uit het slaapkamerraam naar de wei, waar onze twee Friese (has been) hengsten Théos en Max verwachtingsvol naar ons huis staan te kijken, wachtend op hun brokjes. En tellen we even hun prachtige grote zwarte oren. Tot nu toe nog steeds vier. 

In deze tijden ervaar je opeens hoe makkelijk massahysterie op gang kan komen. Op een gegeven moment merkten we dat, als we met mensen uit de buurt spraken, ze steeds vaker het gesprek onderbraken om goed te kijken wie er nu weer langsreed. Op een avond kregen we een appje van een van de nabije buren dat er een verdacht lichtgeel busje rondreed, een Volkswagen Vito. Ze hadden de politie al gebeld en die wist te melden dat datzelfde busje al in Voutezac staande was gehouden, zo’n drie kwartier hier vandaan. “En gisterenavond werd het weer gezien in Jumilhac bij St. Yrieix-la-Perche. We houden ons gebied elke nacht in de gaten met onze buren. Dus wees waakzaam. Als je iets abnormaals ziet, zoals een ongewone auto die meerdere keren per dag langskomt, laat het ons dan weten en probeer het nummerbord te noteren. Wees voorzichtig.” Een paar dagen later: “Hallo. Het beroemde gele busje is weer gespot vlakbij. Blijf alert. Er hoort misschien ook een zwarte auto bij.” Weer een dag later wist iemand uit de buurt te vertellen dat er twee Turken in het busje zaten. En zo ging het lekker door. Op een avond belde de eigenaar van het vismeertje hier dat zijn huurders een rondje om het meer hadden gemaakt en een jongeman in het bosje achter ons terrein hadden gezien, die daar blijkbaar had geslapen, en die had gezegd dat hij onze zoon was. Kon dat kloppen? Het werd almaar gekker. Met als resultaat dat wie we daarna ook spraken in de buurt, iedereen was bereid om hun paarden met geweer en al te verdedigen. 

Maandagavond hadden we een vergadering van alle paardeneigenaren uit de streek, in de salle polyvalente van ons dorp. Ik schat dat er zo’n vijftig mensen in het zaaltje gepropt waren, niet erg corona-proof, moet ik zeggen. De mondkapjes hingen vaak op half zeven en je zat al gauw op slechts dertig centimeter van je buurman of -vrouw. Enfin, het was een eigenaardige bijeenkomst. De burgemeester, die zo te zien een half uur daarvoor nog op zijn tractor had gezeten, leidde de avond kort in, waarna hij snel het woord gaf aan een mevrouw die namens het departement onderzoek deed naar het fenomeen. In plaats van te starten met een overzicht van wat er tot nu toe bekend was of iets dergelijks, begon ze gelijk met hoe belangrijk het was om, zodra we iets verdachts zagen dat aan haar te melden, want dat werd dan allemaal in Parijs verzameld en dan zou …, nou ja, dan zou in ieder geval haar werk vergemakkelijkt worden. 

Er stond ook een echte politieagent naast haar, die haar voortdurend onderbrak, veelal met telkens weer dezelfde zinnen: ‘niet voor eigen rechter spelen’, ‘graag ook een signalement doorgeven, en natuurlijk de kentekenplaat’. Voorin op de eerste rij zat een mevrouw die de avond wel terdege had voorbereid. Ze bladerde in een soort boekwerkje dat ze zelf had gemaakt, waarin ze alle gevallen had beschreven die de voorgaande jaren in België, de Verenigde Staten, Canada en Zweden hadden plaatsgevonden. Ze las wat uit eigen werk voor, terwijl de zaal met kromme tenen de adem inhield en hoopte dat er iemand in zou grijpen, wat niet gebeurde zodat ze nog tien minuten door kon gaan, waarna ze haar bundeltje aan de politieagent gaf, uitroepend ‘doe er uw voordeel mee!’ Ik zag hem er even in kijken, terwijl het gesprek in de zaal zich verplaatste, waarna hij het bijna ongemerkt weer op de school van de eigenaresse legde. 

Zo sudderde de bijeenkomst voorbij. Regie ontbrak ten enenmale. Een van de paardeneigenaren – in dit geval iemand die goed in de slappe was zit – had uitgerekend hoeveel het zou kosten om een professionele beveiliging in te huren en rekende ons voor dat als we met honderd man mee zouden doen, het ieder € 2,90 per nacht zou kosten. Om mij heen werd gezucht. Wie wilde er meedoen? Een paar handen gingen omhoog. Geen honderd, zag ik. Het voorstel stierf een langzame dood, de zaal ging verder. Een ander vertelde dat ze in haar buurt de handen ineen hadden geslagen en nu elke nacht vrijwillig bewakingsrondes reden. Weer een ander riep dat hij iedereen die ’s nachts op zijn weides kwam eraf zou schieten met zijn jachtgeweer. Waarop de politieagent uiteraard weer even in actie kwam. Hij vertelde dat er in Bretagne een moeder en dochter waren gearresteerd nadat ze gewapend met machetes en luchtdrukgeweren twee in hun ogen verdachte mannen in een auto staande hadden gehouden. Die deden echter aangifte bij de politie, en nu riskeren de vrouw en dochter een celstraf van vijf jaar. Die boodschap werd monkelend ontvangen, zo zag ik om mij heen. 

Toen we na twee uur verdwaasd opstapten, stroomde achter ons tegelijk de hele zaal leeg. Het was blijkbaar mooi geweest. Ik had het me toch anders voorgesteld. Wat meer regie, misschien een lijst met telefoonnummers om te bellen, een overzicht van alle paardeneigenaren en hun gegevens, om te kijken of er een gezamenlijke vrijwillige bewaking te organiseren was, zoiets. Maar dit had niet veel opgeleverd, leek me. We reden uitgeput naar huis. De dagen daarna gebeurde er vrij weinig, geen omineuze appjes meer van buren en langzaam maar zeker ontspande iedereen zich een beetje. Wij in ieder geval ook. 

Tot er weer iets heel anders gebeurde. Niet alleen mensen verminken paarden, maar paarden verminken ook wel eens mensen. Toen Caroline gisteren de paarden in het bos ophaalde om ze even elders te laten grazen, schrokken ze ergens van (het waaide nogal). Als zulke reuzen schrikken dan is het oppassen. Théos liep in zijn paniek Caroline omver, waarna ze onder de weggalopperende paarden terecht kwam en Max haar vol in het gezicht raakte met zijn hoef. Bloedend strompelde ze de vijftig meter naar ons huis. Ik schrok me wezenloos. De linkerkant van haar gezicht was een puinhoop, direct enorm gezwollen, en onder het bloed. Een half uur later waren we in het ziekenhuis, waar na een CT-scan bleek dat er geen breuken waren, geen interne bloedingen en dat haar oog onbeschadigd was. Drie hechtingen verder konden we weer naar huis. Ça pourrait être pire. Op de selfie die ze maakte lijkt ze sprekend op een slachtoffer van huiselijk geweld. Ik merk het aan de mensen die we nu ontmoeten en die steeds heel even argwanend naar mij kijken, met zo’n blik van ‘dat had ik toch niet achter hem gezocht’.

De ijsvogel

Een paar dagen terug zat ik op mijn nieuw getimmerde bankje aan de rand van het meer, starend naar de heuvels aan de overkant, waar het bruin van de drie paarden stemmig kleurde bij het gelige gras van hun wei. Ik zat een lange tijd onbeweeglijk en nam de omgeving in mij op. De jonge wielewalen die aan de overkant hun vluchtoefeningen deden. Het geluid van de buizerd hoog boven mij. De rimpeling in het water, mogelijk veroorzaakt door een ringslang. Zo zat ik daar met al mijn zintuigen open. Op dat moment landde er opeens een ijsvogel op een tak, drie meter van mij vandaan. Hij had een klein visje in zijn stevige snavel. Ik hield mij zo stil mogelijk, hij bleef een tijdje zitten op zijn tak. Pas toen ik probeerde wat dichterbij te komen, vloog hij op.  

Ik weet nog heel precies wanneer ik voor de eerste keer in mijn leven een ijsvogel zag. Dat was op zaterdagochtend 24 november 1990, langs het riviertje Het Gein tussen Amsterdam en Abcoude. Nu bijna dertig jaar geleden. Tessa, mijn jongste dochter, was twee dagen daarvoor thuis geboren. Ik was een paar dagen ondergedompeld geweest in huiselijk geluk. Mijn wereld was klein geworden. Een schitterend nieuw leven was geboren, pril en kwetsbaar. De grote buitenwereld volledig weggevallen. Er had wat mij betreft onopgemerkt een derde wereldoorlog uit kunnen breken. Aan het einde van die week doorbrak ik de glazen bol en ging ik voor het eerst weer eens naar buiten. Stapte op de fiets en reed langs het kronkelende riviertje naar Abcoude. Het was een koude, grauwe dag. Ik voelde hoe ik heel langzaam de beschermende deken van de afgelopen dagen aflegde, en met elke pedaaltred weer een beetje om mij heen ging kijken. 

Het leek alsof alle kleur uit het land was verdwenen. Er hing een gore mist over de velden. Het gras was nat en grijs. Het water in het riviertje inktzwart. De takken van de knotwilgen erlangs staken kaal en donker af tegen de grijze mist. In gedachten verzonken fietste ik over het slingerende dijkje met links de rivier, en rechts een klein, lagergelegen slootje, tot ik opeens iets heel vreemds waarnam: het leek alsof ik een blikken speelgoedbeestje met een propeller boven het slootje naast de weg zag vliegen. Zo’n beestje dat je op kunt winden. Het beeld van een speelgoedbeestje werd versterkt door de buitengewoon onnatuurlijke kleuren: fel lichtgevend blauw en knaloranje. Het vloog voor mij uit, en ik zag het tien meter verderop landen op een tak die half over het slootje hing. Ik stapte af en liep heel langzaam en voorzichtig in de richting van de tak. Opeens zag ik het: het was een ijsvogel. Een tropische verrassing in de Hollandse novembermist. Toen ik te dichtbij kwam, vloog hij opnieuw op, toonde me nogmaals zijn oranje stuit, en streek opnieuw tien meter verder neer op een tak. Een wonder van kleur in dit asgrauwe landschap. Welkom, Tessa, wees welkom in deze wereld.

De tweede keer in mijn leven dat ik de ijsvogel zag, was in deze streek, toen we – nu zeventien jaar geleden – een gîte hadden gehuurd en op jacht gingen naar een huis, dit huis. En sindsdien ben ik vertrouwd geraakt met ze. Ze wonen hier bij ons meertje. Inmiddels ken ik hun geluid. Een hoge kreet, zoiets als twiet, vergeef me de eenvoud. Zodra je dat hoort, hoef je maar op te kijken en je ziet een gifblauw dolkje over het water vliegen. Hij of zij maakt altijd een zeer doelgerichte indruk, vliegend als een streep op zo’n halve meter boven het wateroppervlak. Boodschappen doen.

Vanochtend vond ik opeens dat het tijd werd om de houtstapel in de garage aan te vullen. Niet dat het al het soort weer was om de kachel aan te steken – het was dertig graden, de zon brandde aan de hemel – maar ooit wordt het winter, zoveel is zeker. Ik haalde mijn kettingzaag van zolder, vulde hem in de garage met een benzinemengsel, vulde ook de kettingolie bij, en legde hem samen met de bok, de bijl en het hakblok in de kruiwagen. Zette mijn zonnehoedje op, en reed rustig alles omhoog, naar het hoogste punt van ons terrein, waar de houtstapel staat.   

Het was zo’n lange lome dag in juli, waarop je voelt dat er een keer onweer zal komen om de boel te laten ontploffen opdat alles weer even opnieuw kan beginnen. Stil in de lucht. Ook de vogels waren moe. Een licht briesje in de toppen van de bomen. In de verste verte niemand om mij heen. Ik zette de bok neer, pakte een eerste stammetje, gooide het op de bok, en startte de kettingzaag. Onmiddellijk was de lucht vervuld van een oorverdovend lawaai. De zaag vrat zich door het hout, terwijl de geur van verbrand hout zich mengde met benzinelucht. Het zaagsel stoof om me heen, en plakte aan mijn bezwete bovenlijf. Ik werkte stug door in de hitte. Stam na stam gooide ik op de bok. Om me heen stapelden de stukken van zo’n vijftig centimeter zich op. Toen zette ik de zaag uit, en de stilte viel weer in. Ik pakte het hakblok en zette er een klein stammetje op. Ik zwaaide de enorme bijl omhoog en liet hem met volle kracht op het stammetje neerkomen, dat keurig in twee stukken uiteenviel. Ik kliefde de helften nog een keer, zodat ze straks goed in de kachel zouden passen.

Houthakken is een soort karate. Ik weet daar niets van, en doe karate vast tekort, maar ik zie de showvoorstellingen voor me waar Aziaten in witte pakken stapels bakstenen doormidden slaan met hun handen. Ik denk dat zoiets draait om concentratie en om de wil om er doorheen te slaan. Ik merk het als ik een heel dik blok probeer te splijten: als ik enige aarzeling in mijn slag leg, dan lukt het niet. Maar als ik me echt goed concentreer en er absoluut doorheen wil slaan, dan lukt het altijd. Die concentratie is overigens wel nuttig, want de bijl is scherp, en foutjes kunnen vervelende gevolgen hebben. 

Ik kliefde het ene stammetje na het andere. Telkens als ik een nieuw stammetje op het hakblok plaatste, richtte ik mij even op en keek om me heen. Het was stil. Alles hield zijn adem in. Ik veegde het zweet van mijn voorhoofd en liet mijn blik over ons terrein gaan. Rechts het huis en de oprijlaan, links het bos, en daar tussenin het gras dat zich zo’n honderd meter glooiend uitstrekt naar beneden naar het meer, blinkend in de zon. Aan de overkant de velden en dicht beboste heuvels. Ik dacht aan de tijd die we hier al hadden doorgebracht. Ik dacht aan mijn vader die dit niet meer heeft meegemaakt. Aan mijn zus, Mieke, die zo graag hier kwam, en te vroeg is overleden. Aan de baron die zelfmoord pleegde, en aan de rolschaatsjes van zijn dochters die ik zag liggen door het raam van de kelder van zijn verlaten landhuis. Terloopse trillingen van de snaren van de tijd. Alles beweegt. Niets blijft. Ik dacht aan mijn kinderen die hier nog zullen komen als ik er niet meer ben. En ik dacht aan Caroline. Het leven is te kort voor zo’n liefde. Misschien is het juist die eindigheid die het leven waarde geeft.

De stilte van het land kroop in me. Nog diep in gedachten hief ik de bijl en liet hem met een klap naast het hout zeilen. Een decimeter van mijn voet boorde hij zich in de grond. Opletten moeten we. Goed opletten en om ons heen kijken. Anders missen we de ijsvogel. 


Bovenstaande tekst is in bewerkte versie eerder gepubliceerd in Verstilde tijd. (De foto is gemaakt door Gunther Belmans).

Hiërarchisch Frankrijk

Nu is zelfs JC van zijn paard gevallen. Hij beweert dat het kwam doordat zijn paard schrok van de plotseling opduikende herdershond van het oudere kunstenaarsechtpaar, langs wiens terrein hij stapte met zijn paard. Maar volgens de vrouw van het koppel kwam het doordat zij – ze lopen graag in hun blote kont op hun terrein – in haar eigen, fraai allitererende woorden ‘met trillende tieten op de tractor zat’. Of het paard dan wel de ruiter daardoor van streek raakte, is niet geheel duidelijk. Hoe het ook zij, het voorval leverde JC drie gebroken ribben en een barst in zijn ego op. 

Van je paard vallen gebeurt hier nogal eens. Het is mij al een paar keer overkomen met Max, mijn prachtige grote zwarte Fries. De laatste keer was de val zo heftig dat ik een behoorlijke mate van terughoudendheid heb ontwikkeld. Eufemisme voor angst. Nog net geen dwarslaesie maar wel een jaar lang last van mijn ribben. Zelfs een volleerd ruiter als Caroline valt af en toe van onze onberekenbare Max. De eerste keer was het mijn schuld. We maakten samen een tochtje in de bossen hier, en ik was toe aan een sanitaire stop. Caroline bleef op Max zitten, terwijl ik van Théos afsteeg en de bosjes opzocht. Toen ik er even later met een opgewekte kreet opgelucht weer uitkwam, schrok Max zich de pleuris en stoof ervandoor, terwijl Caroline achterover werd gelanceerd. Enfin, laten we het daar maar niet over hebben. 

JC staat voor Jean-Claude, de steenrijke eigenaar van de paardenranch hier. Een jaar of vijf terug kocht hij hier 280 hectaren grond, nadat hij zijn goedlopende IT-bedrijf had verkocht, om zijn droom waar te maken. Paarden fokken en trainen. JC en zijn vrouw Louise waren het avontuur samen begonnen met Fabian, een uitstekende en vriendelijke paardentrainer. De eerste tijd was alles leuk en nieuw. Maar al snel kondigden de eerste haarscheurtjes in het romantische verhaal zich aan. Op een ijskoude winterdag liepen we langs de bevroren meertjes naar onze vriend Gérard die ons had uitgenodigd om een galette, een taartje, te komen eten bij de thee. Hij had ook Fabian en zijn vrouw gevraagd. Gérard had zijn best gedaan: twee soorten taart en twee soorten koekjes gebakken. En ze waren dit keer zomaar allemaal goed gelukt. 

Toen ik Fabian vroeg hoe het ging op de paardenranch, mompelde hij dat hij het druk had. Veel paarden zadelmak te maken en te trainen. Er was een tweede werknemer aangenomen die zich vooral met het onderhoud van de paardenweiden bezighield. “Dus het gaat goed met het bedrijf?”, vroeg ik enthousiast. Zijn gezicht drukte een onmiskenbare desinteresse uit. Hij zag de verbazing op mijn gezicht en begon met tegenzin te vertellen. Dat hij het steeds moeilijker vond om met JC samen te werken, zijn baas. Die was veel te wisselend van humeur, de ene dag heel vrolijk en de volgende opeens enorm chagrijnig. Tegen klanten deed hij altijd heel vriendelijk, maar het was schijn. Zodra ze weg waren, verdween de glimlach en liet hij blijken zich niets van hen aan te trekken. Fabian kwam los: “Hij sproeide gisteren om zes uur ’s middags de bak, waarop ik zei dat hij dat beter niet kon doen, want het zou opvriezen. Gepikeerd riep hij: “Het is toch mijn zand!” Waarop ik zei dat zijn klanten dan de volgende dag niet konden rijden in de bak. “Dat is dan hun probleem!”, en hij liep boos weg.” Enfin, Fabian zag het niet meer zitten. “Ik ben 48 jaar, ik hoef me dat toch niet meer allemaal aan te laten leunen!”, verzuchtte hij. Hij was al om zich heen aan het kijken naar ander werk. 

We hoorden het met gemengde gevoelens aan. Het leek zo idyllisch allemaal. We hadden ons al eens verbaasd over hoe weinig Fabian mee mocht denken over het bedrijf. Er was één baas en dat was JC. Hij liet zich niets gelegen liggen aan zijn paar werknemers. Dat past overigens wel in ons bredere beeld van de Franse werkcultuur. Toen ik hier onlangs in het ziekenhuis lag viel me direct de strikt hiërarchische verhouding op tussen de artsen en het verplegend personeel. Die laatste lagen zowat op hun knieën als de arts binnenkwam. En dat is geen uitzondering. In veel sectoren in Frankrijk is sprake van een autoritaire, hiërarchische bedrijfscultuur. Werknemers hebben geen inspraak, mogen niet meedenken over beleid, worden als pionnen behandeld, en voelen zich niet gewaardeerd.

Eind vorig jaar werd de voormalige directeur van France Télécom, een van de grootste Franse bedrijven (nu Orange) en twee ondergeschikten veroordeeld voor ‘institutionele morele intimidatie’. De directeur werd veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf en kreeg een boete van 15.000 euro opgelegd, net als zijn vicedirecteur en de toenmalige directeur personeelszaken. Het strafhof in Parijs vond dat de drie verantwoordelijk waren voor het creëren van een sfeer van angst tijdens een bedrijfsherstructurering, die direct leidde tot de zelfmoorden en pogingen tot zelfmoord van zo’n 35 werknemers. Een baanbrekende uitspraak in een land waar slechts 35% van de geënquêteerde werknemers (in een onderzoek van Eurostat) aangaf dat ze waardering kregen voor het werk dat ze deden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Deense werknemers (85%) of Britten (70%). Almachtige, incompetente, onmenselijke en onprofessionele managers en het ontbreken van een democratische dialoog. Ziedaar een recept voor de vele werkgerelateerde zelfmoorden.

De spanning tussen managers en werknemers heeft ook te maken met de grote kloof die er in Frankrijk is tussen hoog- en laagopgeleiden. Het onderwijs speelt daar een rol in. Op school worden de leerlingen namelijk blootgesteld aan een (in Nederlandse ogen) waanzinnige competitie en selectie. Onze vriend Gérard vertelde eens nietsvermoedend hoe zijn dochter Nathalie – ze deed een soort HBO-opleiding op het gebied van vormgeven van animaties – het deed op school: “Oui, het gaat beter de laatste tijd. Ze is van het 25e percentiel opgeklommen naar het 40e.” Het duurde even voor ik begreep wat hij hier zei. Er werd elk kwartaal, zo begreep ik, een ranglijst gepresenteerd met daarop de volgorde van de leerlingen qua prestaties. Nathalie zat in het begin voortdurend rond het 25epercentiel, hetgeen wil zeggen dat er zo’n driekwart van de leerlingen het beter deden dan zij. Nu dus nog maar zestig procent. Moet je voorstellen wat dat doet met de minder getalenteerde leerlingen! Ik liet Gérard mijn verbijstering blijken, maar die kwam totaal niet bij hem binnen. Het was de gewoonste zaak van de wereld. “Dat gaat altijd zo hier.” 

Het Franse onderwijssysteem is één grote selectiemolen die de Franse wetenschappelijke en bestuurlijke elite op moet leveren. Leo Prick haalde in zijn boekje Van Frankrijk móet je houden de Nederlandse hoogleraar natuurkunde Ad Lagendijk aan, die een periode in Parijs aan het Institut Langevin als visiting professor verbonden was. Op de vraag op welke universiteit je het beste natuurkunde kunt studeren, was zijn verrassende antwoord niet Harvard of MIT, maar Parijs. “Na de middelbare school volgen geschikte leerlingen de veeleisende classes préparatoires. Een zwaar landelijk examen leidt tot één nationale rangschikking. De top mag naar de beste scholen. En die bevinden zich in Parijs (…).” En niet alleen voor de hogere opleidingen, maar ook voor allerlei banen bij de overheid worden de ambtenaren geselecteerd door middel van een landelijk, vergelijkend examen, het concours. Arme kinderen, arme jongeren, arme werknemers. 

Akkoord, misschien dat we in Nederland de lat wel erg laag leggen als het gaat om de prestaties van onze kinderen, en elke kleuter die met een tekening aankomt bedelven met ongemeende complimentjes, maar dit is wel het andere uiterste. Ik herinner me nog mijn ongemak toen mijn meester in de vierde klas van de lagere school – we spreken nu over 1962 – een bizar systeem had bedacht om zijn leerlingen te motiveren. Hoog op de muren van het klaslokaal had hij van kartonnen stroken een soort baan gemaakt, waarin uit papier geknipte racefietsjes werden bevestigd. Ieder fietsje stelde een leerling voor. Ze begonnen in het begin van het jaar allemaal aan het begin van de baan. Maar bij elke tien die een leerling haalde schoof zijn fietsje (het was een jongensschool) een stukje op. Het was de Tour de France in ons klaslokaal. Ik was samen met Jan van der Velde de beste van de klas en scoorde alsmaar tienen voor dictees en dergelijke. Jan en ik reden het hele jaar dan ook fier op kop. Maar zoals gezegd, het ongemak was er toen al: wat doet dat allemaal wel niet met de achterblijvers? Dat is echter bijna zestig jaar geleden! En hier is het nog dagelijkse praktijk. 

Inmiddels heeft Fabian ontslag genomen. Hij worstelde er enorm mee, maar op een dag trok hij de stoute schoenen aan en vertelde JC plompverloren dat hij ermee ophield. Een keiharde tirade volgde, die tot in Bordeaux te horen moet zijn geweest. Waarschijnlijk had nog nooit iemand JC vertelt dat hij geen goede patron was. Sinds dat moment is het oorlog tussen die twee gezinnen. Fabian doet hetzelfde werk, maar nu bij een vriendelijke baas, van wie hij de tractor mag lenen en die hem helpt als er op zijn terrein gehooid moet worden. Zo zie je maar, dat bestaat hier ook. En Nathalie is ondanks haar matige percentielscore gewoon afgestudeerd en vond een baan bij een productiemaatschappij in Angoulême, de Franse hoofdstad van de animatiefilm en het stripverhaal. Ze tekent smurfen. Niet alles, maar veel komt goed.

In Gods hand mag je niet kriebelen

Mijn moeder met haar halfzus Paula rond 1932

Het voorjaar loopt op zijn eind, de zomer dient zich aan. Onze huisslang is weer uit de kelder geklommen en warmt zijn koude winterslaaplijf in de hete zon in de border voor ons huis. We zijn pas op de helft, maar het jaar 2020 zal nog lang blijven nazinderen. In januari de tragische laatste fase van het leven van mijn moeder, daarna in Frankrijk in quarantaine en toen opeens opgenomen in een Frans ziekenhuis met een acute darmontsteking. “Het is Gods hand en daar mag je niet in kriebelen”, zoals mijn tante Paula ooit schreef in een brief aan haar zus, mijn moeder. 

De quarantaine en het ziekenhuisverblijf gaven mij opeens wel alle tijd om in de oude foto’s en brieven van mijn moeder te duiken die ze bewaard had tijdens haar leven. Deze namen mij mee naar het leven in Amsterdam in een andere tijd. Mijn moeder groeide op onder lastige omstandigheden. Geboren op de Rozengracht in de Jordaan, verloor ze haar vader op haar elfde en haar moeder toen ze vijftien was. De laatste fase van haar jeugd werd ze vooral ‘opgevoed’ door haar oudere halfzus Paula, zestien jaar ouder. Die schreef op 28 juli 1942 in een brief aan mijn moeder, die een weekje verbleef bij een groot gezin in Bergen (N.H.): “Ja, in zo’n gezin merk je pas wat wij missen, hè? En vooral jij. (…) Maar jij hebt eigenlijk nooit een leuk huishouden gehad. Toen je nog heel klein was ging je vader al weg en was het eigenlijk geen echt huishouden meer bij ons. Maar wat zul je er aan doen? ’t Is Gods hand en daar mag je niet in kriebelen, iets wat je trouwens toch niet zou helpen. Je moet er maar van maken wat er van te maken valt en je er zo goed mogelijk in schikken.”

Gods hand. De mens wikt, God beschikt. Maak er maar van wat er van te maken valt. Na het lezen van de brieven en het bekijken van de oude foto’s nam ik de tijd om meer uit te zoeken over mijn familieverleden van moederskant. Vooral over mijn grootouders die ik nooit gekend had. En hoe meer ik las en hoe meer ik vond in de archieven, hoe logischer mij deze levenshouding toescheen.

Mijn moeder is geboren in 1924 in de Jordaan, waar toen net het ergste enigszins achter de rug was, qua armoede. In de periode daarvoor, zeg 1850 tot 1900, was Amsterdam en zeker de Jordaan in diep, diep verval. Geen riolering, stinkende grachten, geen drinkwater. Een overbevolkt getto met 90.000 op elkaar gepakte armoedzaaiers. Behoeftes werden gedaan in emmers of tonnen. Via een buis kwamen ze vaak direct in de grachten of in de goten langs de straten terecht. In het jaar 1866 stierven er in Amsterdam 1.100 inwoners aan de cholera. Nog dodelijker was de tuberculose, volksvijand nummer één eind 19e eeuw: jaarlijks 10.000 slachtoffers in Nederland. Aletta Jacobs, de eerste vrouwelijke arts in Nederland (en actief voorvechtster van vrouwenkiesrecht) vestigde zich als huisarts in de Jordaan en maakte in 1886 een rondtocht door haar wijk, samen met Helene Mercier, sociaal-liberaal feministe en pionier op het terrein van het maatschappelijk werk. 

Poepdoos in de keuken

Mercier schreef daarover: “De niet onaardige grachten en de lange, smalle onvriendelijke straten zijn elken Amsterdammer bekend, maar minder bekend is, naar ik meen, wat zich achter deze straten verschuilt, de tallooze gangen en binnenpleintjes, waartoe veelal een poortje in de hoofdstraat toegang geeft. Is men de gang ingetreden, dan gaat het schier geklemd tusschen twee zwarte muren voort, tot men op een tweede gang stuit. (…) De vuile muren zijn aan ééne of aan beide zijden vol deuren en vensters en op- en rondziende wordt men schier achter ieder venster een vrouwen- of kindergelaat gewaar. Ook ziet men hier en daar (hoewel het pas even in de namiddag is) een brandend petroleumlampje, waarbij een armoedige gestalte over naaiwerk zit heengebogen. (…) Van waterleiding, gootsteen, privaat, kolenhok, muurkast of tweede bedstee geen spoor, maar sporen van vocht in overvloed. Men meene niet dat ik hier een bijzonder woning beschrijf. ’t Is er een van duizenden; ’t is of ik één blad van een lindenboom schets. En evenmin meene men, dat hier alleen de meest verarmden, de eigenlijke paupers wonen; men treft hier de gezinnen van allerlei knappe ambachtslieden aan, van schilders, metselaars, mandemakers, enz., inzonderheid van hen, die met een talrijk kroost zijn gezegend. Ook weduwen met vijf, zes, zeven kinderen vindt men hier in menigte.”

Snijdersgang (Lauriergracht 66)

Het is alsof hier een schets wordt gegeven van het leven van mijn grootouders. Anna Mulder, de moeder van mijn moeder, werd in 1878 geboren op de Lauriergracht, op nummer 66. Die woning bevond zich in een smal steegje dat haaks op de gracht staat, de Snijdersgang. Haar vader was metselaar. Als elfjarig meisje kwam ze al ergens in een huishouden ‘in dienst’. 

In 1907 trouwde Anna met een boekdrukker (ook uit de Jordaan), een jaar later beviel ze van een zoon en in 1910 van een dochter, waarna het noodlot toesloeg. In een bestek van twee maanden stierf haar man aan tbc, gevolgd door haar zestien maanden oude dochtertje. Na een jaar of zes alleen met haar zoon te hebben gewoond, soldatenkleren naaiend om rond te komen, hertrouwde Anna in 1917 met Johan Blok, de toekomstige vader van mijn moeder, mijn grootvader.

Deze Johan Blok was in 1879 op de wereld gekomen in een doodlopend straatje in het armste (noordelijke) deel van de Jordaan, de Slootstraat op nummer 20. Zijn vader en zijn opa waren meubel- en kastenmakers. Zijn vader was op zijn 26e met een minderjarig meisje van 19 jaar getrouwd en de twee kregen in de jaren daarna vijf kinderen. De jongste was Johan, mijn grootvader. Twee jaar na zijn geboorte overleed zijn moeder, op 33-jarige leeftijd, na in tien jaar tijd vijf kinderen te hebben gebaard.

Slootstraat rond 1900

Johan was toen 1 jaar en 3 maanden. Even bleven alle kinderen bij vader wonen op de Lindengracht, maar al snel woonde Johan bij zijn opa en oma, samen met vijf van hun acht kinderen, in de Tichelstraat. Hij werd uiteindelijk smid/bankwerker en kwam te werken in een fabriek voor liften in Duisburg, in Duitsland. In hetzelfde jaar als Anna haar eerste man trouwde, in 1907, huwde Johan zijn eerste vrouw. Zij kregen samen twee meisjes, Paula in 1908 en Kitty in 1910. Ook bij hem sloeg de gevreesde tuberculose toe. Twee jaar na de geboorte van hun jongste dochter overleed zijn vrouw, waarna Johan zich genoodzaakt zag de meisjes van vier en twee naar een weeshuis in Noordwijkerhout te sturen. In de schoenendoos met brieven die ik in het huis van mijn moeder vond, trof ik hartverscheurende ansichtkaartjes aan, die vader Johan stuurde naar zijn oudste dochtertje Paula.   

In 1917 hertrouwde Johan dus met Anna Mulder, mijn grootmoeder. Na het huwelijk trok hij bij haar (en haar zoon) in op de Rozengracht, mét zijn twee dochters. Ze kregen vervolgens samen een zoon in 1920, en als nakomertje in 1924 nog een dochter, Josje, mijn moeder. De verdieping op de Rozengracht, bestaande uit een kleine voor- en achterkamer herbergde op het laatst vijf kinderen en twee volwassenen. Vader Johan was inmiddels, twee jaar na zijn huwelijk met Anna, ziek geworden, ruggemergtering zoals MS toen heette, en na een lange lijdensweg in verpleegtehuizen overleed hij in 1935. Vier jaar later stierf ook mijn grootmoeder, aan borstkanker. Paula zou als oudste van het ‘gezin’ de kost gaan verdienen en zich over mijn moeder ontfermen. Een jaar later was het oorlog.

Wat zal een mens anders in het leven staan als dat leven zo fragiel en onvoorspelbaar is, en zo kort maar kan duren. Niet zo vreemd die verzuchting van mijn tante Paula, dat het weinig zin had om ‘in Gods hand te kriebelen’. In onze tijd hebben we de zaak in eigen hand genomen, denken we. Deels natuurlijk waar, want waar in het midden van de negentiende eeuw de gemiddelde levensverwachting bij de geboorte 35 jaar was, is deze nu ongeveer 80 jaar. We komen van ver. Mijn moeder werd ondanks haar moeizame start in het leven 95 jaar. Precies daarom raakt het coronavirus ons zo, denk ik: we zijn het niet meer gewend om ons te schikken en ‘er maar van te maken wat er van te maken valt’. 

Overigens had ik ook nog een familie van vaderskant, boeren in Noord-Holland, waar de gemiddelde levensverwachting een stuk hoger lag. Gelukkig lijk ik op mijn vader. 

De oude dorpsdokter

Mijn vader was zevenenvijftig toen hij met vervroegd pensioen mocht. Het leven lachte hem toe, hij was gezond, nog jong en kwam eindelijk toe aan wat hij tijdens zijn lange werkzame leven had gemist. Klussen in en om zijn zomerhuisje, varen met de boot van vrienden, elk jaar soms wel twee keer langlaufen in Oostenrijk, in het voorjaar naar Zuid-Frankrijk, van die dingen. Hij heeft er vijf jaar plezier van gehad. Op zijn tweeënzestigste kreeg hij voor het eerst pijn in zijn handen en al snel was duidelijk dat hij reuma had. Een periode van pijn brak aan en hield niet meer op. Integendeel, het werd almaar erger. Mijn altijd sterke vader transformeerde in een wrak. Van een vrolijke, goedlachse, levendige man veranderde hij in een paar jaar tijd in een stille, depressieve bejaarde. Na tien jaar lijden was zijn lijf en geest gesloopt door de ziekte en de medicijnen. Op zijn tweeënzeventigste overleed hij. Reuma dus. Iets om te vrezen.

Het zal nu ruim een jaar geleden zijn. Ik herinner me vooral de harde ijskoude wind. We parkeerden de auto achter de kerk, naast het postkantoor. Ik strompelde het laatste stukje over het oude dorpsplein langs de jongens- en meisjesschool en de mairie, het steegje in naar het pand van de lokale médecin généraliste. Na twee maanden pijn in zo’n beetje al mijn spieren en pezen, en na oeverloos gerommel bij de fysiotherapeut in Amsterdam, werd het toch echt tijd om naar een dokter te gaan. Inmiddels zaten we in Frankrijk, dus op naar de dichtstbijzijnde huisarts. De dorpsdokter woonde – zoals het hoort – in de middeleeuwse dorpskern. We liepen het kromme steegje in, op zoek naar het juiste huisnummer. Aan de gevel van het pand hing, naast de eeuwenoude eikenhouten deur, een keurig gepoetst koperen bord met daarop zijn naam, Docteur Louis Garennes. Op de deur zelf een briefje met daarop Sonnez et entrez: ‘bel aan en kom binnen’. Dat deed ik dus maar. Eenmaal binnen wees de weg zich naar een klein wachtkamertje. Een assistent zit er niet in hier, zo leek het. We namen plaats in het piepkleine hokje waar reeds een andere patiënt, een man van een jaar of veertig, op een stoeltje zat. Terwijl ik – aangezien ik niet kon zitten zonder pijn – heen en weer liep in het kleine kamertje, daarbij de arme man telkens op dertig centimeter passerend, verviel ik – als een soort afleiding – in volkomen zinloos gepieker over wat deze meneer zou mankeren. Je bent niet voor niets bij de dokter. Echt ziek zag hij er niet uit. Misschien had hij problemen met zijn baas. Zo’n soort man leek het me. Maar hij snotterde, dus misschien toch gewoon verkouden. Enfin, ik kwam er niet helemaal uit.

Het was lekker warm in de wachtkamer dankzij een eveneens heel oude radiator. Dat kwam te pas, want ik had het steenkoud. Na een tijdje hoorden we elders in het pand stemmen en wat gestommel en afgaande op de geluiden vertrok er iemand uit het pand. Waarna we voor het eerst een mens zagen, de dokter. Hij vroeg de man van de problemen met zijn baas naar binnen. Ze waren er snel uit want tien minuten later klonk opnieuw gestommel en kort daarna was ik aan de beurt. 

Monsieur Garennes ging ons voor naar zijn spreekkamer, waar hij vlug een stapel dossiers uit de tweede stoel voor zijn bureau haalde en vervolgens plaatsnam achter een enorm bureau. Om hem heen overal zooi. Op zijn bureau stapels dossiers, een stuk of wat kaartenbakken, en op de grond overal stapels papieren. Een assistente zou geen overdreven luxe zijn, kreeg ik de indruk. Of een computer? Onze dorpsdokter bleek een oude man, de pensioentijd al lang voorbij. Zeer zeker de Franse pensioenleeftijd. Zijn handen trilden een beetje. Zijn versleten bruin ribfluwelen colbertje was op de schouders bezaaid met schilfers. Even schoot de vraag door mij heen: wie was hier de patiënt? We namen plaats en ik legde hem uit waarom Caroline erbij was, voor de taal. Mijn Frans was nog wat faible. Dat ontlokte hem een milde glimlach. Geen probleem, mompelde hij vriendelijk. Ik mocht het zeggen. 

Ik vertelde in mijn beste Frans over mijn probleem en over wat ik dacht dat het was. Hij was een weinig spraakzame man. Zonder veel te zeggen nam hij mij mee naar een nisje in zijn spreekkamer waar een soort massagetafel stond. Ik begreep dat ik er even op moest gaan zitten, opdat hij mijn broeddruk en hartslag kon meten en naar mijn longen kon luisteren. Weer terug in onze stoelen vertelde hij met zachte stem dat mijn klachten inderdaad leken op polymyalgia, spierreuma, en dat dat toch meer een zaak was voor de specialist, een reumatoloog. Hij kende er een in Saint-Yrieix. Hij schreef een verwijsbriefje en gaf maar wel alvast een recept mee: Prednison voor tien dagen, een hoge dosis, een stootkuur. Ik zag de bolle kop van mijn vader weer voor me. En met vooruitziende blik schreef hij ook maar wat maagpillen voor, mocht ik die dagelijkse bom niet kunnen verdragen. Zijn diagnose kostte mij slechts vijfentwintig euro, die ik ter plekke kon betalen. Ik schudde zijn trillende hand en we stonden weer buiten, in de ijzige wind. Schuifelend op weg naar de apotheek kwam er een vreemd soort opluchting over mij. Mijn vrees was bewaarheid. Waar ik altijd bang voor was, hoefde ik nu niet meer bang voor te zijn: ik had iets. 

Een paar dagen later vertelden we Gérard, onze huisvriend hier in Frankrijk, van het bezoek aan docteur Garennes. Waarop hij in ongeloof naar mij staarde en riep: “Ben je echt naar die oude man gegaan? Wist je niet dat hij een alcoholist is?”

Van hop tot das

Ondanks het inreisverbod voor reizigers van buiten de EU is het de hop toch gelukt! Gisteren hoorde ik zijn roep: hop-hop-hop, hop-hop-hop. Niet te missen, toch? Op vijf april noteerde ik de eerste koekoek, twee weken later de eerste wielewaal, en nu dan begin mei de eerste hop. Allemaal terug uit donker Afrika. Ik ben wel bang dat ze zich niet aan de twee weken verplichte quarantaine hebben gehouden, want zo te horen zijn ze gelijk erg druk bezig met daten. We leven hier in een dierentuin, of eerder een natuurreservaat, zonder enige vorm van grenzen of hekken.

Zo ontdekten we vorige week opeens een heuse dassenburcht. Niet dat ik zoiets wel eens eerder had gezien, maar bij de aanblik van deze heuvel met enorme ingangen was er maar één mogelijkheid, een dassenburcht. Met in het uitgegraven zand duidelijk de brede pootafdruk van een das, net even anders dan die van een hond. Een das zie je niet makkelijk overdag. Ja, wel af en toe langs de kant van de weg, aangereden. Het zijn nachtdieren, pas tegen de avondschemering komen ze tevoorschijn. Na hun nachtelijke voedseltochten keren ze tegen de ochtend terug in hun burcht. Ze wonen dus onder de grond, niet zomaar in een holletje, maar in een soort onderaardse kastelen. Soms bestaat een burcht slechts uit een paar ‘kamers’, maar er zijn er ook wel, zo liet ik mij vertellen, met dertig kamers, allemaal onderling verbonden door flinke gangen. De gigantische hoeveelheid uitgegraven zand vormt de helling van de burcht. 

Een andere marterachtige die we wel geregeld hier zien is de boommarter. In het begin woonde er zelfs eentje bij ons op zolder. We hoorden hem aan het einde van de nacht de zolder opkruipen met zijn buit van die nacht, soms een vogel, soms een ei. Later zag ik wel eens een heel gezin voorbij hollen, al spelend. Ze zijn onweerstaanbaar mooi. Een klein spits kopje met grote oren. Ongeveer zo groot als een kat, maar lager bij de grond. Een roodbruine vacht, een mooie volle pluimstaart en een gelige, bijna witte bef. En nu huist er eentje in het verlaten hol van de beverratten aan de rand van het meer. 

Beverratten hebben we dus ook hier. Enorme joekels van beesten, lang niet zo knap als de boommarter. Een brede hoekige kop, met enorme snorharen en kleine ogen die altijd gemeen kijken. Onder zijn neus komen twee grote oranje snijtanden uit zijn bek. Een bruine harige vacht en een gladde puntige staart. We zien geregeld een flinke familie aan de waterkant of in ons bos, maar hoe het nu met ze is, weet ik niet, want Jean-Claude, onze eigenaardige buurman van het meer, besloot om op ze te gaan schieten. Ze zouden zijn vis opvreten of zijn dijkjes ondergraven met hun holen. Altijd wat. Ik zie hem nog staan laatste herfst, als een tekenfilmfiguurtje, aan de overkant van het meer. Zijn buks net zo lang als hij zelf, schietend op de zich door het water bewegende beverratten. Waar ze nu zijn, God mag het weten, het hol is verlaten. De boommarter heeft het voorlopig even gekraakt, zo lijkt het.

Natuurlijk stikt het hier van de reeën, met af en toe een edelhert, maar daar hebben we het al vaker over gehad. Maar ook de vos heeft hier zijn leefgebied. Vorig voorjaar zag ik op een van onze wandelingen in het bos opeens twee paar kleine oortjes uitsteken boven een boomstronk. Toen ik heel stil bleef staan, kwamen de oortjes als in een film langzaam omhoog en staarden twee jonge vosjes mij nieuwsgierig aan. Toen ik bewoog doken ze gauw weg. Ik liep voorzichtig naar de plek waar ik ze had gezien en ontdekte daar half onder een boomstronk een vossenhol, met twee grote ingangen. In een daarvan probeerde ik naar binnen te kijken en zag daar iets verderop in de gang een van de vosjes zitten kijken naar me. De nieuwsgierigheid won het van zijn angst. Een mooie plek voor een hol, diep in het bos, op een kleine open plek waar precies de zon op scheen. 

En vogels. Te veel om op te noemen. De hop is misschien wel de mooiste, maar het mannetje van de wielewaal mag er ook zijn, en de ijsvogel natuurlijk. Rode wouwen, blauwe kiekendieven. Van de reusachtige al trompettend overvliegende kraanvogels tot de kleine goudhaantjes. Onder onze dakrand nestelt ook dit voorjaar weer de gele kwikstaart en aan de andere kant van het huis de roodstaart. In ons bos roept ’s nachts de bosuil en over het water zeilt de waterspreeuw of stijgt verschrikt de kleine zilverreiger op. 

Qua reptielen en amfibieën mogen we ook niet klagen. Neem alleen al de hagedissen. De gewone hagedis is hier af en toe een plaag. Bij tientallen tegelijk draven ze over het terras of schieten in en uit de stenen van de muren, elkaar opjagend en bevechtend. Veel mooier zijn twee soorten die je hier ook veel op het terrein ziet: de groene zandhagedis en de smaragdhagedis. Allebei een stuk groter dan de gewone hagedis, zo’n 30 tot 40 centimeter. De laatste veel feller groen en soms (mannetjes in paartijd) met een blauwe keel. 

En dan hebben we de slangen: onze huisslang, de geelgroene toornslang, agressief maar ongevaarlijk. Hij woont in de kelder en op zolder, onder het dak. Elk jaar in mei kronkelen er tientallen babyslangetjes in de kelder, die ik dan vaderlijk de trap op help, omdat ik om de een of andere reden denk dat ze dat niet zelf kunnen, en in de struiken zet. Behalve deze ongevaarlijke huisslang treffen we ook af en toe een hazelworm, eveneens ongevaarlijk, maar zo nu en dan ook de adder, wel degelijk giftig. Pomme stapte vorig jaar als pup bijna op een slapende, opgerolde adder op een bospad. Had heel vervelend af kunnen lopen. 

Ook interessant zijn de amfibieën. Soms loopt er een prachtige vuursalamander over het terrein. Laatst trof ik er een aan in de garage. Een centimeter of twintig, zwart lijf met felle gele strepen en bolle oogjes. Hij houdt duidelijk niet van licht, want terwijl ik hem fotografeerde probeerde hij telkens naar een donker plekje te lopen, waarbij hij heel erg langzaam bewoog. 

Nog veel bijzonderder – slechts één keer gezien, in de kelder – een marmersalamander, ook een zwart lijfje, met een korte, brede kop, iets kleiner dan de vuursalamander, maar dan met groene vlekken en een oranje streep over de hele rug. Net zo sloom en apathisch als zijn gele soortgenoot.

En twee maanden geleden zagen we dan eindelijk het dier dat we in alle zeventien jaar dat we hier nu komen, nog nooit hadden ontmoet. Wel hun sporen in de weilanden, de omgewoelde plekken. En één keer aan een stok, dood, als prooi van de jagers. Maar nu gebeurde het opeens. Het was goor weer. Een loodgrijze lucht en een ijzige noordenwind deden het humeur geen goed. Toch maar een wandeling met de honden, als altijd. Het hele land was doordrenkt van water, de wekenlange regen had van de bodem een moeras gemaakt. We liepen een rondje in de bossen achter ons huis. Saar en Pomme hadden nergens last van. Ze renden voor ons uit, op zoek naar spannende geurtjes, onderwijl dansend in de vele plassen op het pad. Pomme als altijd onze verkenner, zo’n dertig meter voor ons uit rennend, en zich dan telkens omdraaiend, om te zien waar we bleven. Maar opeens gedroeg ze zich anders. Ze zette wel aan om voor ons uit te lopen, maar hield elke keer in en hief haar kop dan argwanend omhoog, oren gespitst. Dat herhaalde zich een tijdje, en plotseling zagen we waarom. Op vijftig meter van ons stond op het pad een everzwijn. Net als de das zijn everzwijnen overdag vrijwel nooit actief en dus bijna nooit waar te nemen. Maar nu dus wel. Misschien omdat het nog een jong dier was, zo te zien aan de sporen van strepen op haar of zijn vacht. Ze was niet groter dan een vos. Ze rook ons blijkbaar niet, want bleef gewoon staan wroeten langs het pad. Toen we haar eenmaal in zicht hadden, deinsde Pomme achteruit. Saar begon te grommen en rende stoer een stukje in de richting van het dier. Op het moment dat het zwijntje ons opmerkte, holde ze rustig op een sukkeldrafje het bos in. Meer een soort dribbelen op die korte pootjes. Ik volgde haar spoor in het struikgewas en zag haar op zo’n vijftien meter afstand naar me staan kijken. Waarna ze verder weg het struikgewas in dribbelde. Eindelijk dan toch een everzwijn. 

Dit land is van de dieren. De mens is hier te gast. Ons past bescheidenheid. 

Sneeuw in april

April inmiddels, maar eindelijk dan toch nog sneeuw. Het is de kersenbloesem die na twee weken witte weelde nu door de zachte voorjaarsbries haar witte bloesemblaadjes voorzichtig op het gras laat dwarrelen. Mooi en kort, vluchtig als het leven, om er maar eens wat Japanse symboliek bij te halen. De koekoek – vroeg dit jaar – verzorgt met haar holle roep het bijpassende achtergrondgeluid. Om ons heen spat het groen uit de bomen, in een paar dagen tijd zijn de eiken aan het meer van zwartgrijs op teer zachtgroen overgegaan. Belofte alom. Twee kanten dus aan die betoverende bloesem: die van het frisse, prille begin – in Japan starten de scholen het nieuwe schooljaar niet voor niets in april – én de vergankelijkheid, de melancholie om de eindigheid der dingen.

En het is ook nog eens Pasen. Toch al een tijd waarin zomaar de ‘het eindige leven aanklevende treurnis’ de boventoon kan voeren. Elke keer als ik zo rond de Paasdagen ‘Wir setzen uns mit Tränen nieder. Und rufen dir im Grabe zu: Ruhe sanfte, sanfte ruh! hoor, ben ik bij mijn overleden zus Mieke. Ze had dit stuk uit de Matthäus Passion uitgekozen om haar uitvaart mee te openen. Toen ik een paar jaar terug in het Concertgebouw de zware klanken door de zaal hoorde galmen, voelde ik weer de kist die ik met mijn zwagers op mijn schouders de ruimte indroeg waar ze werd herdacht. Veel te vroeg namen we afscheid. Achtenvijftig werd ze. En als ik aan haar denk, denk ik ook onherroepelijk aan mijn moeder, die dit leed – het onderweg verliezen van je kind – gelukkig niet langer hoeft te dragen. 

Death itches all the time’, in de woorden van Yalom, de Amerikaanse psychotherapeut, van wie ik onlangs dankzij mijn buurman voor het eerst een boek las. Inherent aan ons bestaan is dat we allemaal bang zijn voor de onvermijdelijke dood, bang voor de existentiële eenzaamheid. Daar zit wat in, de sluier van zwaarmoedigheid die over het leven hangt. Tenminste, dat komt mij bekend voor, maar misschien geldt het niet voor iedereen. Soms spreek ik wel eens iemand die me verbaasd aankijkt als ik aan zoiets refereer. Maar een beetje psychotherapeut hoor ik al zeggen: “daar is hij of zij zich dan nog niet van bewust …” Maar ik vermoed dat we met velen zijn. Zoals ik als kind al bang was voor de eenzaamheid van de nacht. Helemaal alleen in bed, afgezonderd van alle mensen om me heen. Mijn moeder begreep me, van haar mocht het licht in de gang aanblijven, mijn deur op een kier, en ze bleef extra lang in de aangrenzende keuken rommelen, geruststellende geluiden makend en zo mijn onrust bezwerend, net zolang tot ik in slaap viel. En ja, liefde doet veel, maar uiteindelijk, in het zicht van de dood, zijn we allemaal angstaanjagend alleen. Waar vallende kersenbloesem allemaal niet aan doet denken.

Maar gelukkig is er ook die andere kant: grun-tu-molani. De zin in het leven, de instinctieve wil om te leven. Om elk voorjaar weer opnieuw te beginnen. Ik weet niet precies waarom ik het heb onthouden, maar in zijn roman Henderson the Rain King laat Saul Bellow de oude koningin van de Afrikaanse stam die door Henderson, de hoofdpersoon van het boek, wordt bezocht, zeggen: Grun-tu-molani. (…) Say, you want to live. Grun-tu-molani. Man want to live.” Wat ik ervan begreep was dat het ging om zoiets als levenslust, de drang om te leven, om onsterfelijk te willen zijn. Dat sprak mij aan, het verwees naar een vage en nauwelijks bewuste drijfveer die je elke keer weer van de melancholie kon bevrijden. Aan de slag! Iets nieuws beginnen. Ook daarin zijn we met velen, denk ik. Toen ik een paar jaar terug aan mijn toen al 90-jarige moeder vroeg of ze er ondanks al haar gebreken nog wel zin in had, zei ze: “Ja, hoor, het wordt weer voorjaar, kijk, er komen weer blaadjes aan de bomen!” 

Hier op het platteland in Frankrijk is de moestuin hét symbool van het nieuwe begin. In deze maand zijn alle locals bezig met het klaarmaken van de tuin, het zaaien, kweken en planten om straks als het zomer is te oogsten. We doen er voor het eerst een beetje serieus aan mee. In de winter hebben we een flink stuk terrein afgebakend, van zo’n zeventig vierkante meter. Dubbele paaltjes eromheen gezet, om daar takken uit het bos tussen te doen. Zo is er een klein natuurlijk hekje ontstaan om de honden buiten te houden, dol als die zijn op frambozen en aardbeien, zoals we vorig jaar merkten. Begin maart een grondfrees gehuurd, een motobineuse, om de grond klaar te maken. Caroline maakte een heus plan, een indeling en een schema met de volgorde der dingen. Daarna voorzaaien binnen en andere zaadjes direct buiten de grond in. Plus ook wat kant-en-klare plantjes. En kijk nu al eens! Op komst zijn onder meer: bietjes, knoflook, bleekselderie, paprika, aubergines, sugar snaps en andere soorten bonen, sla, aardbeien, frambozen, bessen, courgettes en pompoenen. Het lijkt me een goed alternatief voor de psychotherapeut. 

Net als troostende muziek, nu we het toch over de Matthäus Passion hebben. De laatste keer dat ik in het Concertgebouw de uitvoering bijwoonde, bleek er tot mijn verbazing geen jongenskoor. Jammer, want toen ik jong was zong ik in het jongenskoor van de Vredesscholen en deden we elk jaar onder leiding van dirigent Piet van Egmond mee aan drie uitvoeringen van de Matthäus Passion, waarvan één in het Concertgebouw in Amsterdam. Mooie herinneringen. Nu liep ik tijdens de pauze even naar de deur achter het podium waar ik als tienjarig jongetje bij de opkomst nerveus de trappen afliep, de volle zaal recht voor mij. Eén keer in mijn korte koorhistorie heb ik verdwaasd gezocht naar die deur. Ik was te laat. Om de een of andere reden waren zowel mijn ouders als ik mijn optreden enigszins vergeten. We realiseerden ons dat pas toen ik er al had moeten zijn. Mijn vader strikte gauw mijn stropdas en reed me met de auto in allerijl naar het Concertgebouw, we woonden er vijf minuten vandaan. Het was inmiddels al vlak voor het begin van de voorstelling en dus razend druk met verkeer rondom het gebouw (nou ja, ‘razend druk’, we spreken hier over 1963). Er was geen tijd om een plaatsje voor de auto te zoeken, en dus riep mijn vader: “Spring er maar uit en ga maar naar binnen”. Wat ik deed. Het was niet mijn eerste keer dat ik er zou zingen, dus ik dacht dat ik de weg wel wist. Ik holde in mijn blazertje het Concertgebouw binnen, klom de trappen op, maar raakte in mijn haast volledig in verwarring. Dat het een rond gebouw was, maakte het – zo realiseerde ik me later – er niet makkelijker op. Overal opende ik deuren, maar wat ik ook deed, ik kon de deur die naar het podium leidde niet meer vinden. Paniekerig holde ik door de gangen, waar het steeds leger en leger werd. De gong was al gegaan, het stemmen van de instrumenten was afgelopen, de uitvoering zou gaan beginnen! Ik zou zelfs áls ik de deur al zou vinden, nooit meer onopgemerkt in het koor aan kunnen schuiven! In mijn wanhoop wist ik uiteindelijk niets beters dan het gebouw weer uit te hollen. Waar ik in de rij auto’s voor het stoplicht op de Van Baerlestraat zowaar mijn vader nog zag staan. Die avond miste er één stem in het jongenskoor.

De kersenbloesem is vrijwel geheel uit de boom verdwenen. Daarvoor in de plaats is er opeens een dak van groen blad ontstaan waartussen nog net de meesjes en de vinken zijn te spotten, en de fitis, roodstaart, goudhaantje en al die andere vogels die zich nu al verkneukelen bij de gedachte aan de geweldige kersenoogst straks in juni.

Pomme

Toen ik met pensioen ging en in januari van het vorig jaar een afscheidsetentje had met mijn naaste collega’s in De Plantage in Amsterdam, vertelde ik dat we een tweede hond gingen nemen. Een van mijn oude collega’s stelde toen in opperste verbazing de vraag: “Waarom zou je in godsnaam een tweede hond nemen?” Een hele goede vraag, die ik eerlijk gezegd niet zo goed bleek te kunnen beantwoorden. Ik stamelde zoiets als: “Dat kun je misschien beter aan Caroline vragen”. 

Het was niet helemaal mijn idee dus, al leek het me natuurlijk ook wel leuk, maar dan vooral voor Saar. Een maatje om mee te spelen. Zoiets. Maar het had wat mij betreft ook vijf jaar mogen wachten, om maar een dwarsstraat te noemen. Maar ja, als iemand dat nou heel graag wil? Wie ben ik dan om …? Enfin, ergens aan het einde van die maand mochten we haar ophalen. Een adembenemend lief bruin drolletje. En zo begon het hele gedoe weer. ’s Nachts om de haverklap je bed uit. We moesten uiteraard even een tijd in Amsterdam blijven, voordat we met haar naar Frankrijk mochten, qua inentingen en dergelijke. Dus ving daar op tweehoog ook de zindelijkheidstraining aan. Oftewel: om het uur naar beneden rennen met het marmotje in je handen, haar in het plantsoentje voor de deur in het gras zetten en alsmaar roepen: ‘doe maar een plasje, Pomme’. 

Want zo heette ze. Aangezien ze voor een groot deel van de tijd in Frankrijk zou zijn, en we niet weer een naam wilden uitkiezen waar de Fransen niet goed mee uit de voeten konden (‘Sarrrr?’), leek ons Pomme een veilige keus. Bovendien heette de herdershond waar Caroline bij in de mand sliep toen ze drie was, Pom. 

Nu is dat gedoe met zo’n pup allemaal niet zo dramatisch natuurlijk, wil het niet dat om de een of andere reden precies in die tijd mijn spierreuma zich manifesteerde. Althans, ik had geen idee wat het was, maar ik verging van de pijn in een behoorlijk groot deel van mijn spieren. Zelfs met Pomme in mijn handen over het lage hekje van het plantsoen stappen was een kwelling. Qua timing was ons tweede pupje dus niet echt een goed idee. Het was op zijn zachtst gezegd een matige periode. We wandelden met Pomme in het Amsterdamse Bos of in de bossen van ’t Gooi – nou ja, Caroline droeg haar de meeste tijd in een draagzakje, en af en toe mocht ze even een stukje hollen in het gras – maar wat ongekend leuk zou moeten zijn, was voor mij heel eerlijk gezegd, tja, niet leuk.

Pomme zelf was wel heel leuk. Ze nam ons compleet voor haar in, vooral door de manier waarop ze naar de televisie kon kijken. Favoriet waren dierenprogramma’s. Ze ging er echt voor zitten en blafte er vrolijk op los als ze enkele speelse apen of olifanten gewaarwerd. Misschien deed het haar denken aan het nest met negen bruine over elkaar heen rollende broertjes en zusjes waar ze zojuist bruusk was uitgerukt. De gezapige nieuwe mensenroedel was wellicht even wennen.

Begin maart konden we dan eindelijk naar Frankrijk – Pomme had alle noodzakelijke inentingen gehad – waar het allemaal zo veel makkelijker zou worden. Lekker buiten, van die dingen. Pomme passeerde Parijs alsof het routine was. Af en toe een plas op het strookje gras van de parkeerplaatsen en hup de auto weer in. En inderdaad, zodra de honden uit de auto klommen, renden ze ons terrein op en neer net zolang tot ze van vermoeidheid in slaap vielen. 

Tot Pomme kennismaakte met de paarden. Ze vond die grote zwarte kolossen reuze interessant. Maar ja, ze zijn natuurlijk ook niet zonder gevaar, zeker voor een klein hondje. Op een onbewaakt moment dook Pomme onder het lint door naar de paarden en besloot Théos maar eens voor de gein in zijn kuit te bijten. Waarop Théos, zoals een paard doet, keihard met zijn been naar achteren schopte. Precies tegen het kopje van Pomme. Ze slingerde drie meter door de lucht, klom overeind, zette het op een krijsen en rende als een gillende speer naar de voordeur van het huis, met mij achter haar aan. Ik was ervan overtuigd dat dit het einde was voor Pomme. Maar het bleek mee te vallen, de schade. Een dicht oog met een wond erboven, maar niets fataals. 

Het aanvankelijk wat hulpeloos om zich heen kijkende kleine bruine hoopje ontwikkelde zich tot een energiek, brutaal en zeer aanwezig hondje. Haar grote zus Saar keek het met verbijstering aan. Zo klein als Pomme was, ze was onmiddellijk dominant. Ging met graagte op het hoofd van haar zus staan of zitten. Griste de brokjes uit de bak van Saar. Waarop Saar haar bruine ogen licht wanhopig op ons richtte: blijft dit vreemde mormel hier? We hoopten dat Saar mede de opvoeding van Pomme op zich zou nemen, dat leek ons wel handig. Maar dat bleek niet het geval. ‘Zoek het uit’, leek ze te zeggen. 

Na de grootstedelijke start met poepzakjes en droeve uitlaatsessies aan de lijn en Pomme op tweehoog hunkerend voor het raam zittend, kijkend naar alles wat bewoog op straat, kon in Frankrijk het echte sportleven van Pomme beginnen. In ieder geval de atletiek: hardlopen, verspringen, van die dingen. Maar ook het zwemmen: ze dook onmiddellijk het meer in en bleek een goede zwemmer. Maar het interessantste was toch de combinatie van turnen en judo. Pomme kon namelijk erg goed ‘vallen’. Ze had zo jong als ze was een soort inzicht in natuurwetten: ze begreep de werking van de middelpuntvliedende kracht. Ze racete namelijk net als alle andere honden met een waanzinnige snelheid achter het oranje stuiterballetje aan. Maar daar waar de meeste honden dan op de rem gaan staan om de bal te pakken, met alle schadelijke gevolgen voor de arme knietjes van de doorgefokte rashondjes, bedacht Pomme de ‘zijdelingse judorol’. Ze remde niet af als ze de bal in haar bek greep, maar liet zich op volle snelheid zijdelings vallen en rolde dan een paar meter tollend door. Waarna ze, als ze eindelijk tot stilstand was gekomen, haar hoofd oprichtte – met de bal in haar bek – en enkele tellen verdwaasd om zich heen keek: wat is er in vredesnaam precies gebeurd?

De zijdelingse judorol in beeld

Naast haar actieve sportleven heeft Pomme tegelijkertijd ook een wat filosofische aard. Ze kan heel lang als een soort Boeddha in het gras om zich heen gaan zitten kijken, waarbij ze de wereld een rustig in zich opneemt. Als ze dan eindelijk na een lange dag buiten te hebben gesport en gemediteerd doodmoe naar binnen wankelt, betrekt ze een plek in de houtstapel achter de houtkachel en slaapt met haar hoofd op een houtblok de slaap der onwetenden. Om de volgende ochtend als een blij geitje recht op en neer springend ons weer te begroeten. Om vervolgens zó heftig met haar staart te kwispelen dat haar hele achterlijfje woest mee beweegt, zoiets als de jongelui in de zestiger jaren bij het dansen van de ‘twist’. 

Het is ook goed gekomen tussen Pomme en de paarden. Ze zijn aan dat – nu best al grote, maar in hun ogen – kleine bruine mormeltje gewend geraakt en Pomme is (meestal) voorzichtig in hun buurt. Vandaag is ze voor het eerst met Caroline mee gegaan op een paardentochtje. Ze keek lang achterom naar mij, twijfelend wat ze zou doen, maar na een vaderlijk knikje van mij koos ze moedig als ze is voor het avontuur en holde achter Caroline en Théos aan. Met glans geslaagd voor weer een diploma. Hoe hebben we ooit zonder een tweede hond gekund?

Liefde in tijden van corona

Es riecht nach Schnee, om mijn oude skileraar maar weer eens te citeren. Na weken schitterend voorjaarsweer waait er hier opeens een Siberische wind onder een loodgrijs wolkendek. En uit die poolwind landde er in alle vroegte een engel op ons stoepje. OK, we waren wat laat opgestaan, maar terwijl Caroline nog aan het douchen was en ik in mijn kamerjas met de honden aan het klooien was, hoorde ik plotseling onze voordeur opengaan. En daar klom zowaar madame Mouret naar binnen. In haar zondagse pak – een keurige paarse mantel, een echte handtas en een net zwart hoedje op. Wel op haar zwarte rubberen tuinpantoffels, maar quand même! Ze had met haar 86 jaar de lange afdaling van haar huis naar hier gemaakt. De honden vonden het een leuke afwisseling zo op de vroege zondagochtend en vooral Pomme klom zowat in haar hoedje. 

Hoewel ze al vrijwel binnen was, nodigde ik haar uit om helemaal binnen te komen, gooide de honden in de keuken en bood haar een zitplaats aan, uit alle macht proberend om mijn wijdvallende kamerjas dicht te houden. Ze verdween in onze bank, met haar hoedje op. Caroline kwam gauw onder de douche vandaan en zette zich eveneens in kamerjas met natte haren tegenover haar. “Ik kom eieren brengen en een potje jam.” In koor zeiden we: “Ach, maar dat is toch niet nodig!” “Jawel, dat is wel nodig!”, riep ze. 

Emie Mouret is een buitengewoon lief oud vrouwtje dat in het gehuchtje hier op een paar honderd meter vandaan, op de heuvel, woont. Haar man Roger is twee jaar terug overleden en nu rooit ze het alleen op de oude boerderij, met haar moestuin en haar kippen. Ze is behoorlijk doof en begint een beetje de weg kwijt te raken. Caroline was gisteren even langs geweest om – in deze barre corona-tijden – te vragen of ze iets kon doen. Dat kwam goed uit want Emie was in alle staten, haar kippenvoer was op! Dus haalde Caroline op de terugweg van de boodschappen in Saint-Yrieix een zak kippenvoer bij de Gamm Vert en als extraatje nam ze een tartelette bij de bakker voor haar mee. 

En nu, gelijk de volgende ochtend, stond ze al op de stoep om de schuld te vereffenen, met twaalf eieren én een pot zelfgemaakte pruimenjam (waarop helaas – zo bleek later – een flinke laag schimmel dreef). “Komt uw zoon niet geregeld langs?”, vroegen we, omdat we hem twee dagen terug nog in zijn zilvergrijze Audi-sportwagen langs hadden zien komen. “Nee, die zie ik nooit!”, riep ze uit. 

Emie is op haar negentiende met René (die hier op de boerderij van zijn vader was opgegroeid) getrouwd, kreeg op haar twintigste haar eerste kind, en is toen gelijk hier bovenop de heuvel ingetrokken bij Rene en zijn ouders. Haar herinneringen aan deze plek gaan dus lang terug. “Ja, ik kwam hier vaak. Dat komt, hier naast jullie huis stond toen nog een watermolen.” Dat wisten we wel, want de restanten zijn er nog, er is een oud stukje muur blijven staan aan de overkant van ons weggetje. De meertjes zoals die nu ons huis omringen waren er nog niet toen Aimée hier kwam wonen in de vijftiger jaren, alleen weilanden en een flinke beek waar de watermolen aan stond. Alles in de omgeving was van de baron, ook ons huis dat werd gepacht door de molenaar. “Oui, en René bracht dan het graan altijd in een zak naar de molen, waar het gemalen werd, waarna hij met de zak meel op zijn rug de heuvel weer opliep.” 

We zuigen haar woorden altijd op, zo lang het nog kan. Meestal komt ze wel met een voor ons nieuwe anekdote. De vorige keer toen ze hier was, vertelde ze schalks dat haar buurvrouw, met wie ze nu al 65 jaar om de zoveel tijd knallende ruzie heeft, ‘het vroeger met iedereen deed’. De hele streek wist het, ook haar man, maar ja, die dronk en was bovendien niet helemaal goed bij zijn hoofd. Hun eerste kind was niet van hem, zoveel was zeker. Dat zijn toch nuttige weetjes, niet?

Maar ze had vandaag niet veel tijd. Non, geen kop koffie. “Ik ben zo vroeg”, zei ze, “omdat mijn voordeur niet meer op slot kan, en op dit tijdstip komt er niet veel volk langs. Maar ik kan dus niet zo lang blijven.” Zo kwam het dat we haar even later in onze badjassen weer uitzwaaiden, terwijl ze voorovergebogen op haar kromme beentjes aan de klim de heuvel op begon. Haar handen om haar nu lege handtas op de rug. De eerste dunne sneeuwvlokjes begonnen te vallen. 

In quarantaine in het paradijs

Eigenlijk waren we altijd al in quarantaine hier. Daarom kochten we dit huis zeventien jaar geleden. Vanochtend maakte ik hier in de eindeloze heuvels een fietstochtje. Nu is dat niet zoveel bijzonders, maar deze keer was het een tochtje met toestemming van de Franse staat: in mijn broekzak had ik mijn Attestation de Déplacement Dérogatoire, ingevuld en ondertekend. Je weet het maar nooit. Maar ik kwam zoals altijd niemand tegen. Behalve dan twee reeën die verbaasd opkeken: wat doet die man hier, het jachtseizoen is afgelopen en bovendien mag toch niemand de deur meer uit in Frankrijk sinds een paar dagen? 

Nou ja, zonder geldige reden mag dat laatste niet. Maar op het formulier in mijn broekzak is een uitzondering gemaakt voor ‘déplacements brefs, à proximité du domicile, liés à l’activité physique individuelle des personnes, à l’exclusion de toute pratique sportive collective, et aux besoins des animaux de compagnie’. Ik mag dus wél – al is het kort, niet te ver van huis én in mijn eentje – iets sportiefs doen. En de hond uitlaten. Waarvan akte.

Het was een fijn fietstochtje in het paradijs, want het is hier schitterend weer. Het heeft weken alleen maar geregend, maar sinds de confinement – in goed Nederlands ‘lockdown’ – straalt de zon en is het voorjaar losgebarsten. En dat terwijl iedereen geacht wordt binnen te blijven, zo benadrukte de premier van Frankrijk gisteren nadrukkelijk op het Franse achtuurjournaal. Sowieso zijn ze hier goed in oorlogstaal. We zijn ‘en guerre’, en het leger wordt dan ook overal ingezet: om de politie bij te staan bij het bekeuren van mensen op straat, om noodhospitalen op te zetten waar dat nodig is, maar ook om ic-patiënten te evacueren van de Vogezen, waar erg veel besmettingen zijn, naar het zuidoosten van het land waar veel minder Corona-zieken zijn. 

Het is grappig om de verschillen te zien in, laten we zeggen, ‘landsaard’. In Nederland zijn de mensen onder deze crisis rustig, redelijk en volgzaam. In Frankrijk wordt gesputterd. De interviewster van het achtuurjournaal legde premier Édouard Philippe het vuur na aan de schenen, met cynische vragen op een lacherige toon of we nog wel een rondje mochten joggen. Hoewel Frankrijk een autoritair land is – of misschien wel juist daarom – is de bevolking kritisch en wantrouwend naar het gezag. 

In weinig landen in de westerse wereld is het vertrouwen in de overheid en autoriteiten zo klein als in Frankrijk. Onderzoek laat zien dat een derde van de Fransen vermoedt dat aids in een laboratorium is bedacht, en bijna de helft gelooft dat immigratie een doelbewuste poging is van de elites om de bevolking te vervangen. Maar liefst 55% van de Fransen denkt dat de autoriteiten samen met de farmaceutische industrie de schadelijkheid van vaccins verhullen. Zelfs de theorie dat de aarde plat is (in Frankrijk gepredikt door ‘les platistes’) is in Frankrijk populair. Waar in Nederland nog geen 1% zoiets mals bedenkt, gelooft in Frankrijk bijna 10% van de bevolking serieus dat we bij de neus worden genomen door instanties als NASA en zo. 

Fransen zijn ook buitengewoon vatbaar voor complottheorieën. Onlangs struikelde een studente in Frankrijk over een opmerkelijke passage in haar geschiedenisboek. Op pagina 204 van het op veel scholen gebruikte Histoire du XXe siècle en fiches gaat het over de aanslagen op het World Trade Center in New York en schrijft de auteur (het gaat om de door mij vetgedrukte bijzin met het vraagteken): “Het is in deze context dat Al-Qaeda is opgericht […] die de viervoudige terroristische aanslag van 11 september 2001 in New York en Washington heeft gepleegd. Deze mondiale gebeurtenis – ongetwijfeld georkestreerd door de CIA (geheime diensten) om Amerikaanse invloed in het Midden-Oosten op te leggen? – treft de symbolen van de Amerikaanse macht op zijn eigen grondgebied.” De studente was geschokt, vertelde het haar vader, die – zelf geschiedenisleraar – aan de bel trok. Het leverde, naast excuses van de uitgever en de auteur, een flink schandaal op in de pers en in Frans onderwijsland. Maar dit geval staat niet op zichzelf. Bijna een derde van de Fransen meent dat terreurorganisaties IS en Al-Qaida creaties van westerse inlichtingendiensten zijn. En zo’n 20% denkt dat het ‘niet echt zeker’ is dat de aanslag op Charlie Hebdo alleen door moslimterroristen gepland en uitgevoerd is.

Het vertrouwen in de medische wereld is ook maar matig. Ik ervoer dat aan den lijve toen ik onze vrienden en kennissen hier informeerde over mijn spierreuma. Van alle kanten werd ik meewarig aangekeken toen ik zei dat ik aan de prednison was. Direct werden mij allerlei websites en mailadressen doorgestuurd over voedselintolerantie en andere kwakzalverij. En elke keer als ik ze weer tegenkwam vroegen ze of ik al een test had laten doen, want dat ze een vriendin hadden die ook een auto-immuunziekte had en door het stoppen met het eten van tomaten als een wonder nergens meer last van had. Iedereen gaat hier naar de haptonoom en overal beginnen vrienden van ons over hoe je de gekste medische problemen op kan lossen met vitamines, plantaardige extracten en kruidenmengsels. 

Ils sont fous, ces Romains”, zei Obelix. “Rare jongens, die Romeinen”, werd het vrij vertaald in de Nederlandse versie van Asterix en Obelix. Maar dat geldt dan toch ook wel voor de Fransen. Rare jongens, die Fransen. Maar … er zijn slechtere plekken om in quarantaine te gaan.