Categorie archief: Geen categorie

Sneeuw in april

April inmiddels, maar eindelijk dan toch nog sneeuw. Het is de kersenbloesem die na twee weken witte weelde nu door de zachte voorjaarsbries haar witte bloesemblaadjes voorzichtig op het gras laat dwarrelen. Mooi en kort, vluchtig als het leven, om er maar eens wat Japanse symboliek bij te halen. De koekoek – vroeg dit jaar – verzorgt met haar holle roep het bijpassende achtergrondgeluid. Om ons heen spat het groen uit de bomen, in een paar dagen tijd zijn de eiken aan het meer van zwartgrijs op teer zachtgroen overgegaan. Belofte alom. Twee kanten dus aan die betoverende bloesem: die van het frisse, prille begin – in Japan starten de scholen het nieuwe schooljaar niet voor niets in april – én de vergankelijkheid, de melancholie om de eindigheid der dingen.

En het is ook nog eens Pasen. Toch al een tijd waarin zomaar de ‘het eindige leven aanklevende treurnis’ de boventoon kan voeren. Elke keer als ik zo rond de Paasdagen ‘Wir setzen uns mit Tränen nieder. Und rufen dir im Grabe zu: Ruhe sanfte, sanfte ruh! hoor, ben ik bij mijn overleden zus Mieke. Ze had dit stuk uit de Matthäus Passion uitgekozen om haar uitvaart mee te openen. Toen ik een paar jaar terug in het Concertgebouw de zware klanken door de zaal hoorde galmen, voelde ik weer de kist die ik met mijn zwagers op mijn schouders de ruimte indroeg waar ze werd herdacht. Veel te vroeg namen we afscheid. Achtenvijftig werd ze. En als ik aan haar denk, denk ik ook onherroepelijk aan mijn moeder, die dit leed – het onderweg verliezen van je kind – gelukkig niet langer hoeft te dragen. 

Death itches all the time’, in de woorden van Yalom, de Amerikaanse psychotherapeut, van wie ik onlangs dankzij mijn buurman voor het eerst een boek las. Inherent aan ons bestaan is dat we allemaal bang zijn voor de onvermijdelijke dood, bang voor de existentiële eenzaamheid. Daar zit wat in, de sluier van zwaarmoedigheid die over het leven hangt. Tenminste, dat komt mij bekend voor, maar misschien geldt het niet voor iedereen. Soms spreek ik wel eens iemand die me verbaasd aankijkt als ik aan zoiets refereer. Maar een beetje psychotherapeut hoor ik al zeggen: “daar is hij of zij zich dan nog niet van bewust …” Maar ik vermoed dat we met velen zijn. Zoals ik als kind al bang was voor de eenzaamheid van de nacht. Helemaal alleen in bed, afgezonderd van alle mensen om me heen. Mijn moeder begreep me, van haar mocht het licht in de gang aanblijven, mijn deur op een kier, en ze bleef extra lang in de aangrenzende keuken rommelen, geruststellende geluiden makend en zo mijn onrust bezwerend, net zolang tot ik in slaap viel. En ja, liefde doet veel, maar uiteindelijk, in het zicht van de dood, zijn we allemaal angstaanjagend alleen. Waar vallende kersenbloesem allemaal niet aan doet denken.

Maar gelukkig is er ook die andere kant: grun-tu-molani. De zin in het leven, de instinctieve wil om te leven. Om elk voorjaar weer opnieuw te beginnen. Ik weet niet precies waarom ik het heb onthouden, maar in zijn roman Henderson the Rain King laat Saul Bellow de oude koningin van de Afrikaanse stam die door Henderson, de hoofdpersoon van het boek, wordt bezocht, zeggen: Grun-tu-molani. (…) Say, you want to live. Grun-tu-molani. Man want to live.” Wat ik ervan begreep was dat het ging om zoiets als levenslust, de drang om te leven, om onsterfelijk te willen zijn. Dat sprak mij aan, het verwees naar een vage en nauwelijks bewuste drijfveer die je elke keer weer van de melancholie kon bevrijden. Aan de slag! Iets nieuws beginnen. Ook daarin zijn we met velen, denk ik. Toen ik een paar jaar terug aan mijn toen al 90-jarige moeder vroeg of ze er ondanks al haar gebreken nog wel zin in had, zei ze: “Ja, hoor, het wordt weer voorjaar, kijk, er komen weer blaadjes aan de bomen!” 

Hier op het platteland in Frankrijk is de moestuin hét symbool van het nieuwe begin. In deze maand zijn alle locals bezig met het klaarmaken van de tuin, het zaaien, kweken en planten om straks als het zomer is te oogsten. We doen er voor het eerst een beetje serieus aan mee. In de winter hebben we een flink stuk terrein afgebakend, van zo’n zeventig vierkante meter. Dubbele paaltjes eromheen gezet, om daar takken uit het bos tussen te doen. Zo is er een klein natuurlijk hekje ontstaan om de honden buiten te houden, dol als die zijn op frambozen en aardbeien, zoals we vorig jaar merkten. Begin maart een grondfrees gehuurd, een motobineuse, om de grond klaar te maken. Caroline maakte een heus plan, een indeling en een schema met de volgorde der dingen. Daarna voorzaaien binnen en andere zaadjes direct buiten de grond in. Plus ook wat kant-en-klare plantjes. En kijk nu al eens! Op komst zijn onder meer: bietjes, knoflook, bleekselderie, paprika, aubergines, sugar snaps en andere soorten bonen, sla, aardbeien, frambozen, bessen, courgettes en pompoenen. Het lijkt me een goed alternatief voor de psychotherapeut. 

Net als troostende muziek, nu we het toch over de Matthäus Passion hebben. De laatste keer dat ik in het Concertgebouw de uitvoering bijwoonde, bleek er tot mijn verbazing geen jongenskoor. Jammer, want toen ik jong was zong ik in het jongenskoor van de Vredesscholen en deden we elk jaar onder leiding van dirigent Piet van Egmond mee aan drie uitvoeringen van de Matthäus Passion, waarvan één in het Concertgebouw in Amsterdam. Mooie herinneringen. Nu liep ik tijdens de pauze even naar de deur achter het podium waar ik als tienjarig jongetje bij de opkomst nerveus de trappen afliep, de volle zaal recht voor mij. Eén keer in mijn korte koorhistorie heb ik verdwaasd gezocht naar die deur. Ik was te laat. Om de een of andere reden waren zowel mijn ouders als ik mijn optreden enigszins vergeten. We realiseerden ons dat pas toen ik er al had moeten zijn. Mijn vader strikte gauw mijn stropdas en reed me met de auto in allerijl naar het Concertgebouw, we woonden er vijf minuten vandaan. Het was inmiddels al vlak voor het begin van de voorstelling en dus razend druk met verkeer rondom het gebouw (nou ja, ‘razend druk’, we spreken hier over 1963). Er was geen tijd om een plaatsje voor de auto te zoeken, en dus riep mijn vader: “Spring er maar uit en ga maar naar binnen”. Wat ik deed. Het was niet mijn eerste keer dat ik er zou zingen, dus ik dacht dat ik de weg wel wist. Ik holde in mijn blazertje het Concertgebouw binnen, klom de trappen op, maar raakte in mijn haast volledig in verwarring. Dat het een rond gebouw was, maakte het – zo realiseerde ik me later – er niet makkelijker op. Overal opende ik deuren, maar wat ik ook deed, ik kon de deur die naar het podium leidde niet meer vinden. Paniekerig holde ik door de gangen, waar het steeds leger en leger werd. De gong was al gegaan, het stemmen van de instrumenten was afgelopen, de uitvoering zou gaan beginnen! Ik zou zelfs áls ik de deur al zou vinden, nooit meer onopgemerkt in het koor aan kunnen schuiven! In mijn wanhoop wist ik uiteindelijk niets beters dan het gebouw weer uit te hollen. Waar ik in de rij auto’s voor het stoplicht op de Van Baerlestraat zowaar mijn vader nog zag staan. Die avond miste er één stem in het jongenskoor.

De kersenbloesem is vrijwel geheel uit de boom verdwenen. Daarvoor in de plaats is er opeens een dak van groen blad ontstaan waartussen nog net de meesjes en de vinken zijn te spotten, en de fitis, roodstaart, goudhaantje en al die andere vogels die zich nu al verkneukelen bij de gedachte aan de geweldige kersenoogst straks in juni.

Pomme

Toen ik met pensioen ging en in januari van het vorig jaar een afscheidsetentje had met mijn naaste collega’s in De Plantage in Amsterdam, vertelde ik dat we een tweede hond gingen nemen. Een van mijn oude collega’s stelde toen in opperste verbazing de vraag: “Waarom zou je in godsnaam een tweede hond nemen?” Een hele goede vraag, die ik eerlijk gezegd niet zo goed bleek te kunnen beantwoorden. Ik stamelde zoiets als: “Dat kun je misschien beter aan Caroline vragen”. 

Het was niet helemaal mijn idee dus, al leek het me natuurlijk ook wel leuk, maar dan vooral voor Saar. Een maatje om mee te spelen. Zoiets. Maar het had wat mij betreft ook vijf jaar mogen wachten, om maar een dwarsstraat te noemen. Maar ja, als iemand dat nou heel graag wil? Wie ben ik dan om …? Enfin, ergens aan het einde van die maand mochten we haar ophalen. Een adembenemend lief bruin drolletje. En zo begon het hele gedoe weer. ’s Nachts om de haverklap je bed uit. We moesten uiteraard even een tijd in Amsterdam blijven, voordat we met haar naar Frankrijk mochten, qua inentingen en dergelijke. Dus ving daar op tweehoog ook de zindelijkheidstraining aan. Oftewel: om het uur naar beneden rennen met het marmotje in je handen, haar in het plantsoentje voor de deur in het gras zetten en alsmaar roepen: ‘doe maar een plasje, Pomme’. 

Want zo heette ze. Aangezien ze voor een groot deel van de tijd in Frankrijk zou zijn, en we niet weer een naam wilden uitkiezen waar de Fransen niet goed mee uit de voeten konden (‘Sarrrr?’), leek ons Pomme een veilige keus. Bovendien heette de herdershond waar Caroline bij in de mand sliep toen ze drie was, Pom. 

Nu is dat gedoe met zo’n pup allemaal niet zo dramatisch natuurlijk, wil het niet dat om de een of andere reden precies in die tijd mijn spierreuma zich manifesteerde. Althans, ik had geen idee wat het was, maar ik verging van de pijn in een behoorlijk groot deel van mijn spieren. Zelfs met Pomme in mijn handen over het lage hekje van het plantsoen stappen was een kwelling. Qua timing was ons tweede pupje dus niet echt een goed idee. Het was op zijn zachtst gezegd een matige periode. We wandelden met Pomme in het Amsterdamse Bos of in de bossen van ’t Gooi – nou ja, Caroline droeg haar de meeste tijd in een draagzakje, en af en toe mocht ze even een stukje hollen in het gras – maar wat ongekend leuk zou moeten zijn, was voor mij heel eerlijk gezegd, tja, niet leuk.

Pomme zelf was wel heel leuk. Ze nam ons compleet voor haar in, vooral door de manier waarop ze naar de televisie kon kijken. Favoriet waren dierenprogramma’s. Ze ging er echt voor zitten en blafte er vrolijk op los als ze enkele speelse apen of olifanten gewaarwerd. Misschien deed het haar denken aan het nest met negen bruine over elkaar heen rollende broertjes en zusjes waar ze zojuist bruusk was uitgerukt. De gezapige nieuwe mensenroedel was wellicht even wennen.

Begin maart konden we dan eindelijk naar Frankrijk – Pomme had alle noodzakelijke inentingen gehad – waar het allemaal zo veel makkelijker zou worden. Lekker buiten, van die dingen. Pomme passeerde Parijs alsof het routine was. Af en toe een plas op het strookje gras van de parkeerplaatsen en hup de auto weer in. En inderdaad, zodra de honden uit de auto klommen, renden ze ons terrein op en neer net zolang tot ze van vermoeidheid in slaap vielen. 

Tot Pomme kennismaakte met de paarden. Ze vond die grote zwarte kolossen reuze interessant. Maar ja, ze zijn natuurlijk ook niet zonder gevaar, zeker voor een klein hondje. Op een onbewaakt moment dook Pomme onder het lint door naar de paarden en besloot Théos maar eens voor de gein in zijn kuit te bijten. Waarop Théos, zoals een paard doet, keihard met zijn been naar achteren schopte. Precies tegen het kopje van Pomme. Ze slingerde drie meter door de lucht, klom overeind, zette het op een krijsen en rende als een gillende speer naar de voordeur van het huis, met mij achter haar aan. Ik was ervan overtuigd dat dit het einde was voor Pomme. Maar het bleek mee te vallen, de schade. Een dicht oog met een wond erboven, maar niets fataals. 

Het aanvankelijk wat hulpeloos om zich heen kijkende kleine bruine hoopje ontwikkelde zich tot een energiek, brutaal en zeer aanwezig hondje. Haar grote zus Saar keek het met verbijstering aan. Zo klein als Pomme was, ze was onmiddellijk dominant. Ging met graagte op het hoofd van haar zus staan of zitten. Griste de brokjes uit de bak van Saar. Waarop Saar haar bruine ogen licht wanhopig op ons richtte: blijft dit vreemde mormel hier? We hoopten dat Saar mede de opvoeding van Pomme op zich zou nemen, dat leek ons wel handig. Maar dat bleek niet het geval. ‘Zoek het uit’, leek ze te zeggen. 

Na de grootstedelijke start met poepzakjes en droeve uitlaatsessies aan de lijn en Pomme op tweehoog hunkerend voor het raam zittend, kijkend naar alles wat bewoog op straat, kon in Frankrijk het echte sportleven van Pomme beginnen. In ieder geval de atletiek: hardlopen, verspringen, van die dingen. Maar ook het zwemmen: ze dook onmiddellijk het meer in en bleek een goede zwemmer. Maar het interessantste was toch de combinatie van turnen en judo. Pomme kon namelijk erg goed ‘vallen’. Ze had zo jong als ze was een soort inzicht in natuurwetten: ze begreep de werking van de middelpuntvliedende kracht. Ze racete namelijk net als alle andere honden met een waanzinnige snelheid achter het oranje stuiterballetje aan. Maar daar waar de meeste honden dan op de rem gaan staan om de bal te pakken, met alle schadelijke gevolgen voor de arme knietjes van de doorgefokte rashondjes, bedacht Pomme de ‘zijdelingse judorol’. Ze remde niet af als ze de bal in haar bek greep, maar liet zich op volle snelheid zijdelings vallen en rolde dan een paar meter tollend door. Waarna ze, als ze eindelijk tot stilstand was gekomen, haar hoofd oprichtte – met de bal in haar bek – en enkele tellen verdwaasd om zich heen keek: wat is er in vredesnaam precies gebeurd?

De zijdelingse judorol in beeld

Naast haar actieve sportleven heeft Pomme tegelijkertijd ook een wat filosofische aard. Ze kan heel lang als een soort Boeddha in het gras om zich heen gaan zitten kijken, waarbij ze de wereld een rustig in zich opneemt. Als ze dan eindelijk na een lange dag buiten te hebben gesport en gemediteerd doodmoe naar binnen wankelt, betrekt ze een plek in de houtstapel achter de houtkachel en slaapt met haar hoofd op een houtblok de slaap der onwetenden. Om de volgende ochtend als een blij geitje recht op en neer springend ons weer te begroeten. Om vervolgens zó heftig met haar staart te kwispelen dat haar hele achterlijfje woest mee beweegt, zoiets als de jongelui in de zestiger jaren bij het dansen van de ‘twist’. 

Het is ook goed gekomen tussen Pomme en de paarden. Ze zijn aan dat – nu best al grote, maar in hun ogen – kleine bruine mormeltje gewend geraakt en Pomme is (meestal) voorzichtig in hun buurt. Vandaag is ze voor het eerst met Caroline mee gegaan op een paardentochtje. Ze keek lang achterom naar mij, twijfelend wat ze zou doen, maar na een vaderlijk knikje van mij koos ze moedig als ze is voor het avontuur en holde achter Caroline en Théos aan. Met glans geslaagd voor weer een diploma. Hoe hebben we ooit zonder een tweede hond gekund?

Liefde in tijden van corona

Es riecht nach Schnee, om mijn oude skileraar maar weer eens te citeren. Na weken schitterend voorjaarsweer waait er hier opeens een Siberische wind onder een loodgrijs wolkendek. En uit die poolwind landde er in alle vroegte een engel op ons stoepje. OK, we waren wat laat opgestaan, maar terwijl Caroline nog aan het douchen was en ik in mijn kamerjas met de honden aan het klooien was, hoorde ik plotseling onze voordeur opengaan. En daar klom zowaar madame Mouret naar binnen. In haar zondagse pak – een keurige paarse mantel, een echte handtas en een net zwart hoedje op. Wel op haar zwarte rubberen tuinpantoffels, maar quand même! Ze had met haar 86 jaar de lange afdaling van haar huis naar hier gemaakt. De honden vonden het een leuke afwisseling zo op de vroege zondagochtend en vooral Pomme klom zowat in haar hoedje. 

Hoewel ze al vrijwel binnen was, nodigde ik haar uit om helemaal binnen te komen, gooide de honden in de keuken en bood haar een zitplaats aan, uit alle macht proberend om mijn wijdvallende kamerjas dicht te houden. Ze verdween in onze bank, met haar hoedje op. Caroline kwam gauw onder de douche vandaan en zette zich eveneens in kamerjas met natte haren tegenover haar. “Ik kom eieren brengen en een potje jam.” In koor zeiden we: “Ach, maar dat is toch niet nodig!” “Jawel, dat is wel nodig!”, riep ze. 

Emie Mouret is een buitengewoon lief oud vrouwtje dat in het gehuchtje hier op een paar honderd meter vandaan, op de heuvel, woont. Haar man Roger is twee jaar terug overleden en nu rooit ze het alleen op de oude boerderij, met haar moestuin en haar kippen. Ze is behoorlijk doof en begint een beetje de weg kwijt te raken. Caroline was gisteren even langs geweest om – in deze barre corona-tijden – te vragen of ze iets kon doen. Dat kwam goed uit want Emie was in alle staten, haar kippenvoer was op! Dus haalde Caroline op de terugweg van de boodschappen in Saint-Yrieix een zak kippenvoer bij de Gamm Vert en als extraatje nam ze een tartelette bij de bakker voor haar mee. 

En nu, gelijk de volgende ochtend, stond ze al op de stoep om de schuld te vereffenen, met twaalf eieren én een pot zelfgemaakte pruimenjam (waarop helaas – zo bleek later – een flinke laag schimmel dreef). “Komt uw zoon niet geregeld langs?”, vroegen we, omdat we hem twee dagen terug nog in zijn zilvergrijze Audi-sportwagen langs hadden zien komen. “Nee, die zie ik nooit!”, riep ze uit. 

Emie is op haar negentiende met René (die hier op de boerderij van zijn vader was opgegroeid) getrouwd, kreeg op haar twintigste haar eerste kind, en is toen gelijk hier bovenop de heuvel ingetrokken bij Rene en zijn ouders. Haar herinneringen aan deze plek gaan dus lang terug. “Ja, ik kwam hier vaak. Dat komt, hier naast jullie huis stond toen nog een watermolen.” Dat wisten we wel, want de restanten zijn er nog, er is een oud stukje muur blijven staan aan de overkant van ons weggetje. De meertjes zoals die nu ons huis omringen waren er nog niet toen Aimée hier kwam wonen in de vijftiger jaren, alleen weilanden en een flinke beek waar de watermolen aan stond. Alles in de omgeving was van de baron, ook ons huis dat werd gepacht door de molenaar. “Oui, en René bracht dan het graan altijd in een zak naar de molen, waar het gemalen werd, waarna hij met de zak meel op zijn rug de heuvel weer opliep.” 

We zuigen haar woorden altijd op, zo lang het nog kan. Meestal komt ze wel met een voor ons nieuwe anekdote. De vorige keer toen ze hier was, vertelde ze schalks dat haar buurvrouw, met wie ze nu al 65 jaar om de zoveel tijd knallende ruzie heeft, ‘het vroeger met iedereen deed’. De hele streek wist het, ook haar man, maar ja, die dronk en was bovendien niet helemaal goed bij zijn hoofd. Hun eerste kind was niet van hem, zoveel was zeker. Dat zijn toch nuttige weetjes, niet?

Maar ze had vandaag niet veel tijd. Non, geen kop koffie. “Ik ben zo vroeg”, zei ze, “omdat mijn voordeur niet meer op slot kan, en op dit tijdstip komt er niet veel volk langs. Maar ik kan dus niet zo lang blijven.” Zo kwam het dat we haar even later in onze badjassen weer uitzwaaiden, terwijl ze voorovergebogen op haar kromme beentjes aan de klim de heuvel op begon. Haar handen om haar nu lege handtas op de rug. De eerste dunne sneeuwvlokjes begonnen te vallen. 

In quarantaine in het paradijs

Eigenlijk waren we altijd al in quarantaine hier. Daarom kochten we dit huis zeventien jaar geleden. Vanochtend maakte ik hier in de eindeloze heuvels een fietstochtje. Nu is dat niet zoveel bijzonders, maar deze keer was het een tochtje met toestemming van de Franse staat: in mijn broekzak had ik mijn Attestation de Déplacement Dérogatoire, ingevuld en ondertekend. Je weet het maar nooit. Maar ik kwam zoals altijd niemand tegen. Behalve dan twee reeën die verbaasd opkeken: wat doet die man hier, het jachtseizoen is afgelopen en bovendien mag toch niemand de deur meer uit in Frankrijk sinds een paar dagen? 

Nou ja, zonder geldige reden mag dat laatste niet. Maar op het formulier in mijn broekzak is een uitzondering gemaakt voor ‘déplacements brefs, à proximité du domicile, liés à l’activité physique individuelle des personnes, à l’exclusion de toute pratique sportive collective, et aux besoins des animaux de compagnie’. Ik mag dus wél – al is het kort, niet te ver van huis én in mijn eentje – iets sportiefs doen. En de hond uitlaten. Waarvan akte.

Het was een fijn fietstochtje in het paradijs, want het is hier schitterend weer. Het heeft weken alleen maar geregend, maar sinds de confinement – in goed Nederlands ‘lockdown’ – straalt de zon en is het voorjaar losgebarsten. En dat terwijl iedereen geacht wordt binnen te blijven, zo benadrukte de premier van Frankrijk gisteren nadrukkelijk op het Franse achtuurjournaal. Sowieso zijn ze hier goed in oorlogstaal. We zijn ‘en guerre’, en het leger wordt dan ook overal ingezet: om de politie bij te staan bij het bekeuren van mensen op straat, om noodhospitalen op te zetten waar dat nodig is, maar ook om ic-patiënten te evacueren van de Vogezen, waar erg veel besmettingen zijn, naar het zuidoosten van het land waar veel minder Corona-zieken zijn. 

Het is grappig om de verschillen te zien in, laten we zeggen, ‘landsaard’. In Nederland zijn de mensen onder deze crisis rustig, redelijk en volgzaam. In Frankrijk wordt gesputterd. De interviewster van het achtuurjournaal legde premier Édouard Philippe het vuur na aan de schenen, met cynische vragen op een lacherige toon of we nog wel een rondje mochten joggen. Hoewel Frankrijk een autoritair land is – of misschien wel juist daarom – is de bevolking kritisch en wantrouwend naar het gezag. 

In weinig landen in de westerse wereld is het vertrouwen in de overheid en autoriteiten zo klein als in Frankrijk. Onderzoek laat zien dat een derde van de Fransen vermoedt dat aids in een laboratorium is bedacht, en bijna de helft gelooft dat immigratie een doelbewuste poging is van de elites om de bevolking te vervangen. Maar liefst 55% van de Fransen denkt dat de autoriteiten samen met de farmaceutische industrie de schadelijkheid van vaccins verhullen. Zelfs de theorie dat de aarde plat is (in Frankrijk gepredikt door ‘les platistes’) is in Frankrijk populair. Waar in Nederland nog geen 1% zoiets mals bedenkt, gelooft in Frankrijk bijna 10% van de bevolking serieus dat we bij de neus worden genomen door instanties als NASA en zo. 

Fransen zijn ook buitengewoon vatbaar voor complottheorieën. Onlangs struikelde een studente in Frankrijk over een opmerkelijke passage in haar geschiedenisboek. Op pagina 204 van het op veel scholen gebruikte Histoire du XXe siècle en fiches gaat het over de aanslagen op het World Trade Center in New York en schrijft de auteur (het gaat om de door mij vetgedrukte bijzin met het vraagteken): “Het is in deze context dat Al-Qaeda is opgericht […] die de viervoudige terroristische aanslag van 11 september 2001 in New York en Washington heeft gepleegd. Deze mondiale gebeurtenis – ongetwijfeld georkestreerd door de CIA (geheime diensten) om Amerikaanse invloed in het Midden-Oosten op te leggen? – treft de symbolen van de Amerikaanse macht op zijn eigen grondgebied.” De studente was geschokt, vertelde het haar vader, die – zelf geschiedenisleraar – aan de bel trok. Het leverde, naast excuses van de uitgever en de auteur, een flink schandaal op in de pers en in Frans onderwijsland. Maar dit geval staat niet op zichzelf. Bijna een derde van de Fransen meent dat terreurorganisaties IS en Al-Qaida creaties van westerse inlichtingendiensten zijn. En zo’n 20% denkt dat het ‘niet echt zeker’ is dat de aanslag op Charlie Hebdo alleen door moslimterroristen gepland en uitgevoerd is.

Het vertrouwen in de medische wereld is ook maar matig. Ik ervoer dat aan den lijve toen ik onze vrienden en kennissen hier informeerde over mijn spierreuma. Van alle kanten werd ik meewarig aangekeken toen ik zei dat ik aan de prednison was. Direct werden mij allerlei websites en mailadressen doorgestuurd over voedselintolerantie en andere kwakzalverij. En elke keer als ik ze weer tegenkwam vroegen ze of ik al een test had laten doen, want dat ze een vriendin hadden die ook een auto-immuunziekte had en door het stoppen met het eten van tomaten als een wonder nergens meer last van had. Iedereen gaat hier naar de haptonoom en overal beginnen vrienden van ons over hoe je de gekste medische problemen op kan lossen met vitamines, plantaardige extracten en kruidenmengsels. 

Ils sont fous, ces Romains”, zei Obelix. “Rare jongens, die Romeinen”, werd het vrij vertaald in de Nederlandse versie van Asterix en Obelix. Maar dat geldt dan toch ook wel voor de Fransen. Rare jongens, die Fransen. Maar … er zijn slechtere plekken om in quarantaine te gaan. 

Saartje

Ik was denk ik een jaar of zeven toen ik – we hadden destijds nog winters – tijdens een sneeuwballengevecht met mijn zussen in de Rivierenbuurt in Amsterdam een sneeuwbal wilde maken en met mijn kleine handjes de sneeuw van het trottoir graaide. Vervolgens kneep ik er stevig in om er een goede harde bal van te maken. Opeens kleurden mijn handen bruin en gulpte er tussen mijn vingers een hondendrol onder de sneeuw vandaan. Sindsdien heb ik nooit veel met honden gehad. Maar een kleine vijf jaar geleden werd het toch opeens tijd voor een hond. Wat het nu precies veroorzaakte, weet ik ook niet meer. Op een dag zei ik tegen Caroline: “Als ik met pensioen ga, wil ik een hond”. Met zoiets moet je oppassen bij haar, want voor ik het wist kwamen er vervolgens elke dag foto’s van verbijsterend innemende puppy’s voorbij. Ik had geen idee waar ik aan begon.

“Als we dan ooit een hond nemen, dan wil ik wel een kortharige hond, want dat scheelt qua rommel in huis”, zei ze opeens een paar weken na mijn terloopse opmerking. Daar had ik nog niet over nagedacht, het was immers nog ver weg, dat pensioen. Nog weer wat weken verder: “Ik hou niet van honden die met hun staart omhoog lopen, dat vind ik een beetje onsmakelijk”. Ook dat leek me een prima uitgangspunt. Enfin, het was eigenlijk al snel duidelijk: het zou een Labrador moeten worden. Kortharig, een laaghangende staart en een echte mensenhond. Caroline wilde bruin, ik liever zwart. Maar het geval wilde dat ik nog helemaal niet met pensioen was of ging. Dat kon nog weleens een paar jaar duren, if ever.

Tot ik bedacht dat ik eigenlijk wel minder wilde werken. Minder hard en minder uren per week. Bovendien wilden we eigenlijk ook meer en langer in Frankrijk zijn. En dat kon zo langzamerhand alleen maar als we allebei daadwerkelijk onze werkomvang drastisch terug zouden brengen. Zo kwam de uitdrukking ‘de hond als breekijzer’ ons leven binnen. Als je eenmaal een hond hebt dan zal je, of je wil of niet, elke dag met hem of haar moeten wandelen. En kun je niet alle dagen van huis zijn voor werkafspraken. Een hond is een gezelschapsdier. Bovendien is het voor een hond veel en veel leuker op het platteland in Frankrijk, dus ja, dan moeten we daar toch echt vaker en langer zijn. Een hond als breekijzer voor een ander leven. De aankoop van een hond was plotseling een stuk dichterbij gekomen.

Al snel zocht Caroline – dit was blijkbaar meer haar taak – contact met fokkers. Niet zomaar fokkers, maar dan toch wel door de Nederlandse Labradorvereniging goedgekeurde fokkers. Logischerwijs eindigde die zoektocht bij een fokster in de buurt van Maastricht. Er was een nest op komst en we waren er bijtijds bij. Via Facebook volgden we filmpjes van de geboorte en van de eerste beweginkjes van de negen wurmpjes. Vier zwart en vijf bruin. 

Een jongen of een meisje, dat was nu de volgende vraag. Een jongen, leek mij. Ik had ook al een naam: Willem. Kwam geloof ik door Kees van Kooten die weleens anekdotes over zijn hond Willem had opgetekend. Het contact met een fokster moet je echter niet onderschatten. Een hond koop je niet zomaar. Tijdens de eerste telefoontjes werd er wederzijds wat afgetast. Op een zeker moment vroeg de fokster wat we zouden willen, een reu of een teef. Een reu, zeiden wij. De fokster dacht van niet. “Volgens mij past een teefje beter bij jullie”, zei ze. 

En toen trokken we op een dag naar Maastricht. We konden komen kijken naar de puppy’s die inmiddels vier weken oud waren, om ze – dat was althans onze verwachting – te beoordelen en een keuze te maken. Dat bleek echter geenszins het scenario van onze fokster: het waren wij die werden beoordeeld. Aan de eettafel volgde een heus examen. “Op tweehoog in de stad een hond?” “Jullie werken nog allebei?” “Gladde vloerbedekking?” Op alle fronten gaven we de verkeerde antwoorden. Maar waar het nu precies door kwam – ik denk de charme van Caroline, die is wel vaker van pas gekomen als het erop aankwam – op de een of andere manier slaagden we desalniettemin voor het examen en gingen we opeens over tot het bestuderen van de waanzinnig vertederende piepkleine hondjes. 

Van de negen waren er drie zwarte teefjes, dus een van die drie zou het moeten worden. De fokster maakte weliswaar nog even duidelijk dat de keus niet aan ons maar aan haar was, maar toch. Een van de drie lag de hele tijd op haar rug te slapen. Die viel af. Leek me later een saaie hond worden. Dan was er een die een beetje een dik hoofdje had, maar wel lekker actief. En de derde was een piepklein mormeltje dat haar uiterste best deed om onze aandacht te krijgen. Ze klom over de rand van de bak waar ze in zat, sprong in mijn hand, beet er met haar scherpe tandjes in, likte aan mijn vingers en maakte piepende geluidjes als we haar even geen aandacht gaven. De fokster vond haar wat druk, ze dacht dat ze klem gezeten had tijdens de bevalling. Toen we afscheid namen vroeg ze terloops: “En, hebben jullie een voorkeur misschien?” “Doe die kleine drukke maar, als het aan mij ligt”, zei ik. Een paar weken later konden we haar ophalen. We noemden haar Saartje.

Saartje bleek een enthousiast hondje. Vooral qua eten. Ze had altijd honger en at werkelijk alles op. Niet alleen etenswaren, maar alles wat ze maar op straat of in huis tegenkwam. Zo slokte ze tijdens een strandwandeling een enorme door het zeewater tot een fraai ei gepolijste steen naar binnen. Die vervolgens in haar darmpjes bleek te zijn blijven steken. Na een paar dagen kotsen en een röntgenfoto bij de dierenarts, bleek ze in levensgevaar, en moesten we haar met spoed naar een kliniek rijden, waar ze onmiddellijk geopereerd werd.

Toen ze weer thuis was heeft ze een week met een soort jurkje aan gelopen, om te voorkomen dat ze aan de wond ging likken. De dag nadat ze daarvan bevrijd was, at ze een enorme gele vaatdoek op, en begon alles weer opnieuw. Weer een röntgenfoto en weer naar de kliniek, waar de chirurg het niet zo’n goed idee vond om haar direct weer open te snijden. Ze bleef er een nacht en kreeg spul om zichzelf leeg te kotsen. De rest kwam er in de dagen daarna van achteren uit. Telkens als ik haar op straat uitliet, klonken de kreten van walging van de omstanders als ze zagen wat Saar op het trottoir achterliet aan gele brij. Ongemakkelijk, voor álle partijen.

Ze werd groter en zo ook haar darmpjes. Er bleef minder gauw iets steken. Maar toen begon ze opeens af en toe te hinken. In het begin nauwelijks merkbaar, maar gaandeweg steeds duidelijker. Er was iets met haar linker achterpoot. Na verloop van tijd toch maar weer naar onze dierenarts in Amsterdam. Opnieuw een foto. Ze twijfelde en wilde de mening van de orthopeed horen, maar in die tussentijd reisden we alweer af naar Frankrijk. Een paar dagen later belde ze de uitslag door: de orthopeed dacht dat de knieband gescheurd is en zag vocht en artrose in het gewricht. Hun advies was ontstekingsremmers te kopen en heel kalm aan te doen met haar, tot we over vijf weken weer terug waren in Nederland. Het werd er hier echter niet beter op, integendeel, eerder slechter. En dus besloten we met enige aarzeling om toch maar een afspraak met de dierenarts hier te maken, in Saint-Yrieix. Dezelfde die destijds ook Max, onze hengst, gecastreerd hadden. Hier op ons terrein. Ik zie de ballen nog liggen, achteloos achtergelaten in een smoezelige emmer. 

Mais oui, dat doen we hier wekelijks hoor. We snijden een stuk van een pees van de grote dijbeenspier los, leggen dat over het gewricht en zetten het onder haar knie vast. We gebruiken dat eigenlijk als een nieuwe knieband.” Hoewel hij niet de veearts was die Max had gecastreerd, en er ook wat diervriendelijker uitzag, klonk hij toch wel als een soort dokter Pol, zeg maar. Toch anders dan onze luxe dierenarts in Amsterdam-Zuid. Maar desondanks hadden we er wel vertrouwen in. “Laat haar maar gelijk hier”, zei dokter Pol en met haar hoofd omlaag sjokte Saar met hem mee op weg naar het slagveld. Net een zwaar gemoed liepen de ongeruste ouders naar buiten, de kille duisternis in.

Enfin, het kwam allemaal weer goed met Saar. Na een paar maanden revalidatie, inclusief aquajogging, liep ze weer met ons mee de heuvels in. Tot een paar dagen geleden. Gaandeweg die dag merkten we dat er iets met haar was. Ze gaf ’s middags over, haar hele lunch kwam er weer uit. Nou gebeurt dat wel vaker, maar ’s avonds werd haar gedrag vreemder. Ze had duidelijk pijn in haar buik. Ze likte zichzelf daar de hele tijd. En kroop telkens onder een stoel of onder onze benen, iets dat ze doet als ze pijn heeft, bescherming zoekend. Het werd almaar erger. Haar avondeten kwam er ook weer uit, en vervolgens begon ze te trillen en enorm te hijgen. Ze was duidelijk heel ziek. 

’s Avonds laat belden we toch maar de dienstdoende dierenarts, want we zagen ons zo de nacht niet ingaan. Maar hij stelde ons op de een of andere manier gerust en zo kwam het dat we toch maar naar bed gingen en Saar aan haar lijden overlieten. De nacht was echter verschrikkelijk. Ze kreunde en piepte, draaide almaar rondjes, kon nergens liggen en trilde als een gek. We namen haar maar op bed, waar ze de hele nacht radeloos doorging met rondjes draaien, af en toe trillend even liggen, weer opstaan en draaien. Arme Saar, ze moest uitgeput zijn. Wij ook natuurlijk, maar ze had duidelijk pijn. 

De volgende ochtend om acht uur stapten we in de auto om naar de dierenarts te scheuren. En het buitengewone is dat Saar, waar ze normaal nooit in de auto wil en er altijd sloompjes, met lichte tegenzin naar toe drentelt, nu mij voor ging en bijna naar de auto holde en voor de achterklep ging zitten wachten. Alsof ze begreep wat er ging (moest) gebeuren. Na ons verhaal gedaan te hebben lieten we haar achter bij de dierenarts voor onderzoek, een röntgenfoto en echo. 

Na een uurtje belde hij op met het vonnis: ze had (weer) een steen opgegeten. Die zat inmiddels aan het uiteinde van haar darmen klem en moest er onmiddellijk uit gehaald worden. Opnieuw een operatie. Aan het einde van de dag belde hij nogmaals om te melden dat de operatie wel goed was gegaan, maar dat het wel een zware ingreep was geweest. De steen bleek niet van het soort als het gladgepolijste ei van een paar jaar terug, die met een ‘simpel’ sneetje uit de darm kon worden gehaald. Deze caillou was vier centimeter groot en als alle keien hier met scherpe randjes rondom. Hij had de darm al behoorlijk beschadigd. Dus had onze dokter Pol een stuk van tien centimeter van haar darm weg moeten halen. Ze hielden haar een paar dagen daar om te zien of alles weer naar behoren zou gaan functioneren. 

Ongerust als we waren belden we elke dag even om te vragen hoe het met haar ging, enge complicaties waren niet uitgesloten. Maar na twee dagen wachten klonk door de telefoon het verlossende woord, we mochten haar op komen halen. Als iemand mij tien jaar geleden had voorspeld dat de tranen mij op dat moment in de ogen zouden schieten, dan had ik hem voor een gekkie versleten.