De hop, een onreine schoonheid

Wanhoppig, zou je bijna zeggen. Maar dat is inderdaad een iets te flauwe woordspeling. Toch klinkt het nu al wekenlang: hop, hop, hóp. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. De wanhopige roep om een partner. Het lijkt erop dat het goed gaat met de hop. Althans in de streek waar wij wonen, het grensgebied van de Haute-Vienne, Corrèze en Dordogne. Hoorden we hier vroeger maar zelden – en dan ook vaak slechts vanuit de verte – de onmiskenbare roep van de hop, dit jaar klinkt hij overal, elke dag weer. Nu mag de roep niet echt melodieus zijn, eerder gruwelijk monotoon, zodra je de vogel ziet is echter alles vergeven en heb je het idee dat je in het Congolese regenwoud zit. Ik geef hem een top-drie klassering, als het gaat om de mooiste vogel. 

De lange dunne snavel. De warme, bijna oranje kleur. De fel zwart-wit gestreepte vleugels en staart, die zich tijdens de vlucht aaneen scharen tot een galajurk. En natuurlijk de waaiervormige kuif, waarin aan de uiteinden het zwart-wit subtiel terugkeert. Het schijnt dat de hop een onappetijtelijke bijnaam heeft: drekhaan. Vanwege de uitgesproken stank die het dier omgeeft. De hop is een taddik, om het eens op zijn Amsterdams te zeggen. Een viezerik. Ze maken het nest zelden schoon, hetgeen in hun geval extra dramatische gevolgen heeft, aangezien het vrouwtje een klier heeft onder haar staart, waar tijdens de broedtijd een verwoestend stinkende smurrie uitkomt. Daarmee smeert ze vervolgens zichzelf en haar eieren in, om te voorkomen dat indringers het nest leegroven. Jammer voor de Vlaamse gaaien en de marters. En voor de koekoek natuurlijk, die haar jong geluk niet wil laten opgroeien in een stinkhok, denk ik zo.

Over de koekoek gesproken. Precies op 1 april hoorde ik die hier weer voor het eerst. Best vroeg in het jaar. Het was de dag van de belachelijke sneeuwstorm, toen het hele gebied hier onder een halve meter sneeuw was verdwenen. Ik was even bang dat hij of zij gelijk rechtsomkeert had gemaakt, terug naar warm Afrika, want de dagen daarna hoorden we niets meer. Maar een dag of wat later bleek toch dat ze hadden besloten te blijven. Weer twee weken later meldde ook de wielewaal zich, en kort daarna dus de hop. Het luidruchtige Afrikaanse gezelschap was gelukkig weer compleet. 

De hop dus. Al in de Bijbel genoemd, als een van de onreine dieren die niet mogen worden gegeten. Laat nou uitgerekend de hop tot de nationale vogel van de staat Israël zijn verkozen. Maar naast deze negatieve Bijbelse associatie heeft de hop ook al sinds eeuwen een positief imago. Dat heeft – naast het fraaie uiterlijk – te maken met hun trouwe familiebanden. Als vader en moeder hop ouder worden, gaan de jongen namelijk voor de ouwetjes zorgen: ze strijken hun veren glad, likken hun ogen opdat ze beter zien, voeden en verwarmen hen. En dat spreekt auteur dezes – zojuist 69 jaar oud geworden – wel aan. De stank nemen we dan maar voor lief.