
Étienne is niet meer. Gisteren vond er iets vreemds plaats. Er hing vrij lang een helikopter boven ons buurgehuchtje, een kilometer verderop. Ik dacht eerst aan Marie, de zwakbegaafde dochter van de familie Durand, die met enige regelmaat moet worden opgenomen omdat ze weer eens psychotisch is en agressief wordt. Maar ’s avonds hoorden we dat het voor Étienne was: hij was voorover in zijn put gevallen, met zijn hoofd naar beneden, in een metersdikke laag modder. De helikopter heeft hem er uitgetrokken. Dood.
Hoe het precies heeft kunnen gebeuren werd niet helemaal duidelijk. Hij wilde – samen met een vriend – de oude put die op zijn terreintje stond schoonmaken en nieuw leven inblazen. Kijken of hij het weer zou kunnen gaan doen. Er dreef een dikke laag blubber in en gaf al decennialang geen water meer. Een vreemd plan. Zijn vriend schijnt het karwei in ogenschouw te hebben genomen en vervolgens te zijn vertrokken. ‘Mij niet bellen’, zoiets vermoed ik.
Étienne was een drinker. Ik heb hem zien komen in deze streek, een jaar of vijftien terug. Samen met zijn vrouw Véronique huurden ze op een gegeven moment een oud boerderijtje van de gemeente om schapen te gaan hoeden, met een Europese subsidie voor beginnende boeren. Zij had de broek aan, hij dronk. Ze kregen twee kinderen, meisjes. Moeder beheerde het bedrijfje, zorgde voor de schapen. Hij ging proberen een moestuin te ontwikkelen en met de groenten op de markt in Saint-Yrieix te gaan staan. Alles wat hij deed mislukte. Toen de meisjes wat groter waren gooide Véronique hem eruit. Hij kon een piepklein huisje in ons buurgehuchtje betrekken. Dat stond al tien jaar te koop, maar was onverkoopbaar. Meer een hut, zo’n vijf bij drie meter, de vloer van aarde, geen water, geen elektra. Ze zullen er niet veel voor betaald hebben. Étienne trok erin, leende elektriciteit van de buren, regelde een wateraansluiting met de gemeente, sjouwde een bed erin en nam een hond. En dronk rustig door.
Een tijdje was hij weg, opgenomen in het ziekenhuis met leverproblemen. Maar de laatste tijd leek het wat beter te gaan. Hij zat weleens voor zijn huisje in het zonnetje. Zwaaide als je langskwam. Maakte een wandelingetje met zijn hond in het bos, waar we hem een keer tegenkwamen. Maar zakte elke avond met zijn autootje af naar het dorp, naar de kroeg. Waarna hij zigzaggend in het donker weer naar boven reed, om daarna een gat in de dag te slapen. Een triest, intriest leven. Hoe hij in zijn put is gekukeld is vooralsnog een raadsel, maar God, je moet er toch niet aan denken, aan zo’n dood.

We komen nu elke week wel een keer langs het verlaten huisje, op weg naar Saint-Yrieix. Sinds kort heeft een nieuwe bewoner zijn intrek genomen: er zit geregeld een klein steenuiltje voor het venster. Binnen dus. Hij of zij woont er, zo lijkt het. Troost en verlichting biedend bij het passeren van de droeve plek.