Categorie archief: Geen categorie

Wensdenken

Het is koud buiten. ’s Nachts vriest het een graadje of zes, overdag komt de temperatuur net boven nul. Poes Bibi houdt daar niet zo van en zoekt de hele dag naar een warme schoot, in de buurt van de houtkachel. Onze arme Friezen hebben inmiddels een dikke bontvacht gekregen, waar je zo heerlijk je neus in kunt drukken. Je voelt hun warme lijf en ruikt hun geur. Alle paarden hebben een eigen geur, denk ik, maar die van Max is een fijne donkere grondgeur, een vinoloog zou zeggen met een vleugje noot en eiken. Hun waterbak bevriest elke nacht, elke ochtend hakken we het ijs eruit, waarna ze direct gulzig het ijskoude water naar binnen zuigen. Weinig wind, volop zon. Mooi wandelweer. Vanochtend met de honden weer het bos in, zoals elke dag. Onderweg passeren we het verlaten huisje van Etienne, die zo gruwelijk de dood vond in zijn eigen dichtgeslibde waterput. Ik schreef er eerder over. Toen we er vanochtend langskwamen zagen we een klein steenuiltje voor het venster zitten. Binnen dus. Die woont er nu, zo lijkt het. Ons troost en verlichting biedend bij het passeren van de droeve plek. 

Kort na onze thuiskomst stond er opeens een kandidaat voor het burgemeesterschap voor de deur. We hebben dan weliswaar niet – zoals George Clooney – het Franse staatsburgerschap mogen ontvangen, maar kunnen als ingezetene en belastingbetaler wel meestemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen in maart. Het dorp waar we bij horen heeft zo’n 800 inwoners, verspreid over iets van vijftig vierkante kilometers. We hebben al jaren dezelfde burgemeester, twaalf jaar minstens. Een inmiddels gepensioneerde boer, een vriendelijke man. Vóór hem was zijn vader burgemeester en na hem wil hij zijn zoon in het ambt hebben. De politiek in zulke kleine gemeenten gaat eigenlijk nergens over, hoogstens kleine, lokale zaken. De gemeenteraad bestaat grotendeels uit vrienden van de familie, oppositie bestaat niet. Als er weer eens wat weggetjes geasfalteerd moeten worden, dan gaat de opdracht uiteraard weer naar …, nou ja, vul maar in. Maar… dit jaar is er opeens een tegenkandidaat! 

Dat heeft alles te maken met een onverwacht megalomaan project, het karretje waar de zittende burgemeester zich voor heeft laten spannen. Dat zit zo. We hebben hier in Château-Chervix in het hart van de oude dorpskern een heuse donjon, een meer dan dertig meter hoge toren. Die donjon is de overgebleven woontoren van een inmiddels verdwenen kasteel uit de 12e eeuw. Gedurende vierhonderd jaar zetelde daar de lokale bestuurlijke, fiscale en gerechtelijke macht, tot de ondergang ervan in de 16e eeuw. Die ondergang was nogal dramatisch. Rond 1550 hield de kasteelheer van dienst in die dagen, een zekere François de Coignac, zich obsessief bezig met omzetten van waardeloze metalen in goud door deze te mengen met gestold kwik. Valsemunterij! Geholpen door een priester met een bedenkelijke reputatie had hij een laboratorium ingericht in een afgelegen toren van het kasteel. 

Nadat de stiefvader van de kasteelheer voor dezelfde illegale activiteit was veroordeeld, waren ze bang dat zij de volgende zouden zijn om voor het gerecht gesleept te worden. Om zich te beschermen tegen mogelijk desastreuze getuigenissen stelde de priester het volgende voor: de kasteelheer zou zijn naasten vermoorden, het kasteel in brand steken en vluchten, en doen alsof hij een van de slachtoffers was. Heer François de Coignac ging akkoord, maar delegeerde de moorddadige missie aan de priester en zijn handlangers. Op de avond van 6 oktober 1553 drongen de moordenaars het kasteel binnen. Terwijl zijn vrouw en kinderen om het leven werden gebracht, vluchtte de kasteelheer naar het gehucht Puy-de-Bar. 

Om elk spoor van de misdaad uit te wissen, werden de lijken (ook die van het personeel) in het laboratorium in brand gestoken, waarna ook de rest van het kasteel vlamvatte. Een herder, die naar de kelder was gegaan om boodschappen te halen, had het geschreeuw gehoord. Doodsbang verstopte hij zich twee dagen lang. Eenmaal uit zijn schuilplaats vertelde hij het verhaal aan de mensen in het dorp, waarna de priester en zijn handlangers gevangen werden genomen en naar het schijnt gevierendeeld en onthoofd in Limoges. De kasteelheer vluchtte uiteindelijk naar Zwitserland.

De donjon bleef dus gespaard. Het kasteel is na deze gebeurtenis nooit meer volledig gerestaureerd, kende in het vervolg van de geschiedenis verschillende eigenaren, maar werd in de Franse Revolutie in beslag genomen door de staat. Sinds 1945 is hij in bezit van de gemeente en als historisch monument aangemerkt. De toren staat nog wel overeind, maar is in feite niet veel meer dan een ruïne, de tijd heeft haar werk gedaan. Hij wordt nog wel bewoond. Door een enorme zwerm kraaien, die nestelen in de vele holtes in de muren en de hele dag luid krassend om de toren vliegen. Een wat sinister geluid, maar passend bij wat de toren nu is: een zwijgend symbool van wat menselijke waanzin kan opleveren als hebzucht de overhand krijgt. Ik zou het zo laten. Maar daar denkt niet iedereen hetzelfde over.

En zo zijn we terug bij de strijd om het burgemeesterschap. De zittende burgemeester heeft zich sterk gemaakt voor het restaureren van de toren, om deze te transformeren in een toeristische attractie. (Het is goed om te weten dat er in deze streek überhaupt zelden een toerist wordt gesignaleerd. Maar dat terzijde). Totale kosten van de restauratie: anderhalf miljoen, waarvan de gemeente een kleine 130.000 euro moet ophoesten. Inwoners wordt gevraagd het project te sponsoren door een steen in de gerestaureerde muur te ‘kopen’ à raison van 60 euro. Het plan is om vervolgens drie maanden in de zomer de toren open te stellen voor publiek. Kosten 15.000 euro per jaar. Om die te dekken verwacht men een kleine 3.000 bezoekers per jaar. Drieduizend bezoekers! In drie maanden tijd, dus elke dag dertig bezoekers… Enfin, zoals gezegd, niet iedereen is gecharmeerd van dit project. Waardoor er nu opeens een tegenkandidaat zich aan het front heeft gemeld. 

En die kwam zich vandaag dus eigenhandig voorstellen. Nu blijkt hij ook nog eens onze buurman geronseld te hebben om deel uit te maken van zijn equipe. Waardoor we zomaar voor een dilemma staan: de zittende burgemeester had namelijk een andere, iets verdere buur – tevens vriend van ons – in zijn equipe. Er zal moeten worden gekozen! Voorlopig hebben we ons eruit gered, door bij beide kandidaten te vragen naar hun ‘programma’. “Ah, beh oui”, dat komt eraan. Très, très vite

Oorlog op het fietspad

Vriend Micha noemt het een burgeroorlog op het fietspad. Een war zone is het zeker. Ik was onlangs weer even een weekje in Amsterdam en in die paar dagen ben ik 4½ keer uitgescholden door een verhitte medeweggebruiker. Die halve keer betrof het een zeg 23-jarig meisje die, toen ik aarzelde om haar wel of geen voorrang te geven, mij hoofdschuddend voorbijfietste, met zo’n blik van: ‘weer zo’n oude lul op een OV-fiets’. De overige vier keer waren grover: van ‘sodemieter op’ tot de automobilist die haast stikte in zijn razernij en niet een maar twee vingers repeterend omhoogstak. In al die gevallen ging het om het niet snel genoeg uit de weg gaan. Men had last van mij, notabene iemand die zijn hele leven in Amsterdam woonde, een – al zeg ik het zelf – zeer ervaren stadsfietser, geenszins een trage, onwennige provinciaal. Nou ja, oké, op leeftijd.

Er is iets aan de hand. Een nieuwe werkelijkheid. De onderlinge haat tussen Nederlanders. In ieder geval in de grote stad. In ieder geval op het fietspad. En in ieder geval tijdens de ochtendspits. Een peloton gehaaste, jachtige dertigers ragt op e-bikes door de stad, ieder menselijk obstakel vervloekend, op weg naar de trein of afspraak die ze moeten halen. En dan heb ik het nog niet eens over de elektrische bakfietsen en fatbikes. Of over de maaltijdbezorgers uit Albanië. Of over de door-rood-rijders, of de stoeprijders. Of over de oortjes die iedereen in heeft. We zijn met te veel. En de verschillen in snelheid zijn te groot. Fietspaden – hoe breed ook tegenwoordig – zijn niet gemaakt om elkaar in te halen. Er hoort een slome, solidaire kudde rustig naast elkaar te rijden, bij het stoplicht met zijn vijftigen rustig achter elkaar wachtend. Een praatje met de wildvreemde buurman naast je. Vergevingsgezind, mocht iemand een te onverhoopte beweging maken. Maar nee, het is een burgeroorlog geworden. Strak voor zich uitkijkende individuen, humeur op boos. Straks weer vriendelijk lachen naar de baas, maar nu even niet.

Is het een Nederlands verschijnsel? Ik weet het niet. Reizend naar Nederland heb ik vaak een tussenstop in Parijs. Waar ook een oorlog gaande is rondom de fietspaden. Daar speelt de strijd zich echter niet af tussen de fietsers onderling, maar tussen de fietsers en de andere weggebruikers, de auto’s en voetgangers. Er wordt steeds meer gefietst in Parijs en dat wordt niet door iedereen op prijs gesteld. Er lijkt een culturele en politieke strijd gaande om de publieke ruimte. De Parijse fietsers hebben zich een ‘Amsterdamse’ attitude eigengemaakt: door rood licht rijden, auto’s afsnijden, rechts inhalen, op volle snelheid langs overstekende voetgangers scheren. Eind vorig jaar mondde deze oorlog uit in de dood van een fietser. Naar het schijnt ontstond het conflict toen een auto over het fietspad reed en de fietser verhaal haalde. Waarna de chauffeur gas gaf en de fietser aanreed, die het niet overleefde. Een strijd om de macht in de Parijse straten. Een columnist van Le Monde schreef: ‘(…) het milieuvriendelijke voertuig, dat symbool stond voor totale coolheid (coolitude), is veranderd in een symbool van agressiviteit, ieder voor zich en stedelijke chaos. Il y a autant de cons à vélo qu’en voiture’. Klinkt herkenbaar. 

Enfin, hoe het ook zij, ik ben weer thuis en reed vanochtend mijn wekelijkse fietstochtje door de herfstige heuvels hier op dit vergeten Franse platteland. Geen hond kom je hier tegen. Nee, dat is niet waar: er is hier in de buurt een zwerfhond die mij soms voorbij ziet komen en dan gezellig een kilometertje of zes met mij mee holt. De burgeroorlog ver weg. 

Over raven en kraanvogels

Half oktober. Vorige week voor het eerst weer het geluid van de overvliegende kraanvogels.  Op een prachtige zonnige herfstdag, tijdens een fietstochtje, het land overgoten met een gelig licht. Nog niet de enorme V-formaties, luid trompetterend op weg naar hun winterbestemming, maar slechts een paar verdwaalde verkenners. Het is weer zover. De invallende winter in het noorden wordt verruild voor het warme zuiden, Spanje of Noord-Afrika. Ons huis ligt op hun route (rode cirkel in de afbeelding). Straks in februari gaan ze weer terug, het voorjaar en de zomer tegemoet. Ouders en kinderen, hele gezinnen vliegen op en neer.

Het lijkt trouwens wel alsof alle vogels hier bezig zijn met de grote trek. In het voorjaar en de zomer huist er rondom onze fermette een bont gezelschap. Ik zou er deze pagina mee kunnen vullen (met een wat groot lettertype): wielewaal, hop, koekoek, roodstaart, heggemus, goudhaantje, zwartkop, putter, pimpelmees, koolmees, witte en gele kwikstaart, boomklever, boomkruiper, alle soorten spechten, bosuil, velduil, winterkoninkje, fitis, groenling, merel, nou ja, enzovoort). Maar nu, oktober, zijn het vooral de roodborstjes die hier de scepter zwaaien. Ik denk dat die ook uit het noorden komen, want opeens waren ze er. Luidkeels aanwezig, knokkend om hun territorium. De rest is vertrokken, lijkt wel. Of houden zich gedeisd.

En een paar weken eerder vormde ons terrein voor even een verzamelplaats voor een club boerenzwaluwen. Het leek wel een Facebookfeest (zoiets als Project X in Haren, dat begon met een uitnodiging voor een Sweet Sixteen Party van een 16-jarig meisje en eindigde in een massale bijeenkomst van meer dan 10.000 jongeren). Uit het niets vlogen plotsklaps overal rondom ons huis boerenzwaluwen. Door het slechte weer dwarrelden de muggen en andere insecten laag en dus ook de zwaluwen, die hun vetreserves aan het opbouwen waren voor de grote reis. Zo laag dat poes Bibi (what’s in a name?) er een aantal uit de lucht kon plukken, met in de meeste gevallen een droevig einde tot gevolg. Ze huisden even overal. Toen ik ’s ochtends de garagedeur opendeed bleken er een stuk of tien die nacht te zijn opgesloten geweest. Braaf zaten ze samen naar me te kijken op de balk boven de deur, voor ze opgelucht de ochtendlucht in doken. Een paar dagen bleef de hele bende en toen waren ze opeens vertrokken.

Ik las een interview in de krant met een wat ouder echtpaar die op een vrijwel onbewoond eiland in Ierland zijn gaan wonen. ‘Je leert hier het leven klein te maken’, zei de man. Op het eerste gezicht lijkt dat hier bij ons op het Franse platteland ook zo. Maar je kunt het ook omdraaien: dat je leert om het leven groot(s) te maken. 

De laatste tijd hoorde ik in de stille avonden een geluid dat ik in al die (twintig) jaar nog niet eerder hoorde. Een hard gekras, KROK-KROK, steeds twee of drie keer, beetje schor, maar heel luid en vérdragend. Op een bepaalde manier ook melodieus. Het kwam van hoog uit de lucht of vanuit de toppen van de bomen. Vaak begon er een, waarop een paar honderd meter verderop het antwoord kwam. Duidelijk een koppel, met elkaar aan het praten. In het begin dacht ik aan een blauwe reiger of een zilverreiger (die zitten nog wel eens aan de oever van ons aangrenzende meer), maar die maken toch net een ander geluid. Na een paar dagen worstelen zag ik ze opeens: raven. Majestueus. Waarschijnlijk komen ze met de wolf mee, die terrein wint in Frankrijk. Die twee werken samen bij de jacht. Raven attenderen de wolf op ‘zwakke’ dieren, waarna ze als beloning het kadaver mogen hebben. Geen trekvogel, lees ik. Wij, de raaf en ik, blijven gewoon hier. In het paradijs.

De waterput

Étienne is niet meer. Gisteren vond er iets vreemds plaats. Er hing vrij lang een helikopter boven ons buurgehuchtje, een kilometer verderop. Ik dacht eerst aan Marie, de zwakbegaafde dochter van de familie Durand, die met enige regelmaat moet worden opgenomen omdat ze weer eens psychotisch is en agressief wordt. Maar ’s avonds hoorden we dat het voor Étienne was: hij was voorover in zijn put gevallen, met zijn hoofd naar beneden, in een metersdikke laag modder. De helikopter heeft hem er uitgetrokken. Dood.

Hoe het precies heeft kunnen gebeuren werd niet helemaal duidelijk. Hij wilde – samen met een vriend – de oude put die op zijn terreintje stond schoonmaken en nieuw leven inblazen. Kijken of hij het weer zou kunnen gaan doen. Er dreef een dikke laag blubber in en gaf al decennialang geen water meer. Een vreemd plan. Zijn vriend schijnt het karwei in ogenschouw te hebben genomen en vervolgens te zijn vertrokken. ‘Mij niet bellen’, zoiets vermoed ik. 

Étienne was een drinker. Ik heb hem zien komen in deze streek, een jaar of vijftien terug. Samen met zijn vrouw Véronique huurden ze op een gegeven moment een oud boerderijtje van de gemeente om schapen te gaan hoeden, met een Europese subsidie voor beginnende boeren. Zij had de broek aan, hij dronk. Ze kregen twee kinderen, meisjes. Moeder beheerde het bedrijfje, zorgde voor de schapen. Hij ging proberen een moestuin te ontwikkelen en met de groenten op de markt in Saint-Yrieix te gaan staan. Alles wat hij deed mislukte. Toen de meisjes wat groter waren gooide Véronique hem eruit. Hij kon een piepklein huisje in ons buurgehuchtje betrekken. Dat stond al tien jaar te koop, maar was onverkoopbaar. Meer een hut, zo’n vijf bij drie meter, de vloer van aarde, geen water, geen elektra. Ze zullen er niet veel voor betaald hebben. Étienne trok erin, leende elektriciteit van de buren, regelde een wateraansluiting met de gemeente, sjouwde een bed erin en nam een hond. En dronk rustig door. 

Een tijdje was hij weg, opgenomen in het ziekenhuis met leverproblemen. Maar de laatste tijd leek het wat beter te gaan. Hij zat weleens voor zijn huisje in het zonnetje. Zwaaide als je langskwam. Maakte een wandelingetje met zijn hond in het bos, waar we hem een keer tegenkwamen. Maar zakte elke avond met zijn autootje af naar het dorp, naar de kroeg. Waarna hij zigzaggend in het donker weer naar boven reed, om daarna een gat in de dag te slapen. Een triest, intriest leven. Hoe hij in zijn put is gekukeld is vooralsnog een raadsel, maar God, je moet er toch niet aan denken, aan zo’n dood. 

We komen nu elke week wel een keer langs het verlaten huisje, op weg naar Saint-Yrieix. Sinds kort heeft een nieuwe bewoner zijn intrek genomen: er zit geregeld een klein steenuiltje voor het venster. Binnen dus. Hij of zij woont er, zo lijkt het. Troost en verlichting biedend bij het passeren van de droeve plek.

Lunch in Frankrijk

De lunch in Frankrijk is een fenomeen. In het heerlijke boekje van Simon Kuper over veranderend Parijs schrijft hij dat de lunches in Parijs de reden waren voor hem om er te blijven. Hij kocht ruim twintig jaar geleden een appartement in het 11e arrondissement, niet ver van Place de la Bastille. Destijds nog te betalen. Twintig fatsoenlijke restaurants op loopafstand. Het dagelijkse wonder van het dagmenu (la formule), de betaalbaarste toplunch ter wereld van twee of drie gangen, bereid met verse ingrediënten, die ochtend aangeleverd. Een ritueel van anderhalf uur. Het gemiddelde restaurant waar hij kwam stond in geen enkele gids voor fijnproevers, maar de alledaagse eetstandaard was er volgens hem hoger dan in bijna elke andere straat op aarde. Dat moet ook wel, want de meeste klanten zijn culinaire critici. Sinds hun kindertijd eten ze dezelfde klassieke Franse gerechten: uiensoep, crème brûlée, foie gras. Ik zie het aan onze buurkindertjes: ze krijgen elke dag op school een driegangenmaaltijd, vers bereid. Al nemen hun ouders ze elke dag mee naar McDonald’s, op school leren ze de Franse keuken eten. En zo wordt iedere Fransman of Française een kenner. 

Nu woon ik niet in Parijs, maar ook hier op het Franse platteland is de lunch een fenomeen. Tussen twaalf en twee valt de wereld stil, nog altijd. In elk gehucht is wel een restaurant waar het rond het middaguur vol zit met ‘werkers’. In de stad is het vaak kantoorpersoneel, in een dorp eerder de elektriciens en de bouwvakkers. Van hun baas krijgen ze de maaltijdcheques (les tickets restaurant) die ze vrijwel overal in kunnen wisselen voor een repas. Zelfs in die verschrikkelijke winkelcentra die je (ook hier) rond de steden vindt, is er steevast een restaurant dat tussen de middag stampvol is. Ik haalde er altijd mijn neus voor op – snob als ik ben – maar dat veranderde toen we een keer een paard gingen kopen ergens in de Dordogne. 

Guy ging mee, onze Franse vriend uit het buurgehuchtje. Ik zou er nooit aan gedacht hebben, maar op zijn verzoek maakten we een lunchstop op het industrieterrein annex winkelcentrum van Périgueux. Daar zaten we dan. Op een late decemberdag. Eindelijk eens aan zo’n formicatafeltje in een cafetaria bij een Frans winkelcentrum. Tot dan toe bezorgde de aanblik van zo’n etablissement mij altijd een lichte depressie: aan die plastic tafeltjes te zitten, onder de schelle verlichting van de tl-buizen, met uitzicht op het parkeerterrein van de Intermarché. Maar het bleek als altijd weer genuanceerder. Ten eerste was het eten veel beter dan je zou verwachten, het glas rosé eveneens. En ten tweede was het ook wel gezellig: een combinatie van alle lagen van de bevolking eet daar: werklui, jong, oud, nette mensen, volkse lui, van alles. Anderhalf uur later konden we de weg weer op, door naar Monsaguel, een klein dorpje diep in de Dordogne, waar Théos wachtte, onze mooie Fries. 

Ik moet eerlijk bekennen dat we sindsdien nooit meer naar een dergelijke lunchplek zijn teruggekeerd, maar de lunch in Frankrijk nestelde zich in ons bestaan hier. We werden redelijke vaste klanten bij een klein dorpsrestaurant niet ver bij ons vandaan, gevestigd in een oude herberg. De kok en zijn vrouw (die bediende) woonden boven het restaurant. Binnen was het alsof je terug in de tijd ging. De oude bar van de herberg stond er nog. Er was een enorm open vuur in een oude schouw, waar iemand af en toe een flink blok hout opgooide, waardoor als de wind verkeerd stond en de schoorsteen even niet goed trok, de clientèle soms in een wolk van fijnstof en koolmonoxide het goddelijke dessert nuttigde. De kok kookte met de seizoenen mee, gebruik makend van hun eigen moestuin en boomgaard. Dus alle groenten waren onvoorstelbaar smakelijk, de meiknolletjes, pastinaak, worteltjes, paddenstoelen. De gefrituurde courgettebloemen, en in de desserts de kruisbessen, frambozen en aardbeien, allemaal uit eigen tuin. Traditioneel Frans, en dus stond er altijd een klassieke tête de veau bij de voorgerechten, en vaak iets van rundvlees of vis bij het hoofdgerecht. Maar God, wat smakelijk bereid! Niets à la carte, gewoon een klein menu en een iets groter menu. De oplettende lezer merkt op dat bovenstaande in de verleden tijd is geschreven. Klopt. Om twee redenen. De kok is met pensioen. Maar belangrijker: het vegetarisme is in Frankrijk maar mondjesmaat aan het doordringen. De wijsheid komt met de jaren, en vlees eten werd voor ons langzaam maar zeker onmogelijk. Zo zie je maar weer, alles gaat voorbij.

Zelfs de lunchcultuur in Parijs. Simon Kuper woont er nu ruim twintig jaar en de stad verandert. Tweetaliger, een stad voor rijken, allemaal net als in Amsterdam. Maar dus ook de lunchcultuur. Steeds minder Parijzenaars nemen de tijd voor een lunch. De anderhalf uur is teruggebracht naar drie kwartier en er wordt veel minder wijn gedronken. Overal rukken in Parijs de broodjeszaken en fastfoodtenten op. Niets blijft hetzelfde. Gelukkig zijn er nog veilige havens om te schuilen. Zelfs in Amsterdam. Rond Pasen was ik in de stad, bezocht met mijn zus de Matthäus Passion in het Concertgebouw, waarna we na afloop aten bij Brasserie van Baerle. Altijd voorbijgelopen, in die vijfentwintig jaar dat ik om de hoek woonde. Te burgerlijk, snob als ik ben. Oulah, wat een vergissing! Klassieke Franse brasserie, maar met de tijd meegegaan. Vooraf gerookte paling met brioche en hollandaise. Daarna de vis van de markt: rogvleugel op verrukkelijke, boterzachte asperges. Zo smaakvol! Alles verandert, maar sommige dingen mogen nog wel even blijven.

Brasserie van Baerle.

Over walging

Dit wordt, beste lezer, een wat smerig stukje. U kunt nog terug. Op een dag zag ik in het weitje aan de rand van ons bos een paar vreemde ronde gaten in de grond. Ze waren zo’n vijftien centimeter doorsnee en ongeveer even diep. In sommige daarvan was een keurige drol gedeponeerd. Nieuwsgierig geworden naar de ‘dader’ hingen we een wildcamera op, met goed zicht op de gaten.

Het bleek een dassenfamilie te zijn die hier hun wc’s hadden gebouwd, om – zoals wij langs de autoroute – hun behoeften te doen op hun nachtelijke tochten op zoek naar voedsel. Het schijnt, zo leerde ik, dat ze op verschillende punten aan de randen van hun territorium een aantal latrines graven, om ’s nachts te vullen. Waarschijnlijk om aan andere dieren – die wellicht walgen van de geur en aanblik van deze gevulde latrines – duidelijk te maken: dit is ons gebied. 

De interessante kwestie is natuurlijk: waarom zo netjes in die ronde gaten van vijftien centimeter? Ze zouden hun drollen ook gewoon in het gras kunnen deponeren, zoals zoveel dieren doen. Blijkbaar houden dassen van netjes. Verder lezend over dassen blijken ze inderdaad ook thuis van proper te houden. De verschillende kamers in hun burcht worden netjes gestoffeerd met gras, mos, bladeren, dennennaalden en varens, hetgeen allemaal regelmatig wordt ververst. Een afkeer van viezigheid, dus.

Het doet me denken aan Bibi, onze frêle Franse poes. Die besteedt zeker een derde van de dag aan haar toilet. Elk onderdeeltje van haar poezelige vacht wordt honderd keer gewassen. Vaak krijgen eerst de pootjes een goede beurt, zodat ze daarmee haar gezichtje kan oppoetsen. Waarna ze minutieus de rest van haar lijfje onder handen neemt. Men zegt dat die properheid nodig is bij poezen omdat ze een prooi moeten kunnen besluipen zonder dat hun lichaamsgeur ze verraadt. Maar daar geloof ik niet zo in: volgens mij heeft ze gewoon een afkeer van viezigheid. Zo loopt ze vaak in ons bos, als de grond nat en modderig is, met hoog opgetrokken pootjes, elk druppeltje nadrukkelijk afschuddend, alsof ze in de poep heeft getrapt. En dekt ze al haar plasjes en drolletjes netjes af door er met veel geduld gras of aarde overheen te schrapen.

Dat dieren walging kennen is overduidelijk. Neem Pomme, onze jongste labrador. Wanneer ze bezig is met het leggen van haar grote boodschap, straalt ze overduidelijk afkeer uit: ze poept wijdbeens een drol uit, doet een paar stappen, nog een drol, enzovoort. Tot ze klaar is, waarna ze niet weet hoe gauw ze van de plek des onheils weg moet hollen. Ik kan me daar overigens goed in verplaatsen. Toen we nog op de Frans van Mierisstraat woonden en ik dagelijks op de Reijnier Vinkeleskade rondliep met Saar, onze eerste labrador, ontkwam ik er niet aan. De poepzakjes! Het is goed dat destijds niemand mijn gelaatsuitdrukking heeft gefotografeerd op het moment suprême. De zachte, warme hoop in je handen, voelbaar dwars door het plastic heen. Oef!

Het vreemde is wel dat onze honden allebei de neiging hebben om zich zo nu en dan in extreem stinkende uitwerpselen van een onbekend dier te rollen. Verschrikkelijk! Een douchebeurt met flink veel shampoo is het enige dat rest. Een redelijk onbegrijpelijk fenomeen. Waarom doen ze dat? Een van de theorieën is dat honden mogelijk in die viezigheid rollen om hun eigen geur te maskeren. Dat zou het vervolgens makkelijker maken om herten en andere prooidieren te besluipen. Eerlijk gezegd lijkt me dat evenzeer onzin: ik heb nog nooit een hond een prooi zien besluipen. No way, die hollen net zo lang blaffend achter een prooi aan tot die erbij neervalt. Dus nee. Misschien vinden ze het gewoon lekker, wie weet? Maar ik dan weer niet. Walgelijk!

Of dieren ook kunnen walgen van het gedrag van anderen is weinig onderzocht. Ik las wel over een Japans onderzoek waarin kapucijnapen geconfronteerd werden met een rollenspel, waarbij een onderzoeker moeite had met het openen van een plastic bak en om hulp vroeg aan haar collega. Eerst kreeg zij daadwerkelijk hulp van een vriendelijke collega, vervolgens negeerde een andere collega haar vraag om hulp. De apen weigerden na het zien van de scène ook nog maar iets te maken te hebben met de laatste.

Dus wellicht kennen zij het fenomeen van morele afkeer. Iets waar wij mensen goed in zijn.  In mijn Amsterdamse dagen kwam ik bij het uitlaten van onze labrador op de kade geregeld een man tegen, samen met zijn pas aangeschafte hond. Zijn hond bleek iets vreemds te doen: hij at zijn eigen poep op. Nu zou dat te voorkomen zijn als de eigenaar telkens bijtijds de uitwerpselen oppakte en in een zakje stopte. Maar dat deed hij niet. Hij liet zijn hond lekker zijn gang gaan; hij had allerlei belangrijke telefoontjes te plegen over zijn aandelenpakket, of zoiets. Wat deed de eikel na een paar maanden? Hij ruilde zijn hond in voor een ander, iets netter exemplaar. Dégoûtant, zou mijn zevenjarige buurmeisje zeggen, in haar jaloersmakend mooie Frans.

Goedheid

De enorme vrachtwagen met boomstammen stond te wachten voor de ingang van onze paardenwei. De chauffeur stelde zich voor: ‘Julien’. (Vrijwel iedereen heet hier Julien, maar dat terzijde). We staarden allemaal eerst naar de zachte, zompige wei en vervolgens naar de dikke banden van de camion en de reusachtige hoeveelheid boomstammen in de laadbak. Het leek een onmogelijke combinatie. Wat was er aan de hand?

Ons terrein grenst aan een meer. Niet van ons. Er staat een hutje op het terrein dat verhuurd wordt aan vissers. Zo grofweg van april tot oktober komen er elke zaterdag nieuwe vissers, die een week lang, vooral ’s nachts, vanuit een tentje proberen de karpers aan de haak te slaan. We hebben er weinig last van, het is een groot meer en ze kamperen aan de overkant. Vissers zijn bovendien meestal stil, anders vangen ze niks.

Beetje vreemde hobby – sorry, sport – natuurlijk, want waarom zou je een vis pijn doen, hem met een haak in zijn bek naar de kant sleuren en hem er dan gehavend en wel weer in teruggooien? Vissen voelen geen pijn, zeggen alle vissers, zo ook onze vader en zoon die samen eigenaar zijn van het meer. Nou, dat is gelul van een dronken aardbei, zoals Koot en Bie zouden zeggen. Er is namelijk de laatste tijd interessant onderzoek gedaan naar die vraag. Onderzoekers injecteerden vissen met irriterende stoffen zoals azijn onder hun huid. Waarop de vissen zich onmiddellijk tegen de steentjes op de bodem van het aquarium begonnen te wrijven om te proberen die irriterende stoffen kwijt te raken. Bovendien verloren ze hun eetlust. Vervolgens gaven ze de vissen een pijnstiller in de vorm van morfine, waarna die reacties direct weer verdwenen. De algemeen aanvaarde conclusie op basis van dit (en ander) onderzoek is dat vissen wel degelijk pijn voelen. 

Maar goed, tegenwoordig is de waarheid ook maar een mening, dus… Bovendien zijn de karpers in het meer – zo benadrukken vader en zoon – hun ‘baby’s’, waarbij ze over hun hart aaien (ik verzin het niet). Ze zouden ze nooit kwaad doen. Enfin, het is wat het is. De afgelopen dagen en weken merkten we dat ze het meer lieten leeglopen. Dat gebeurt wel vaker. Er zit een soort put op het diepste punt aan de zijkant, waar je een luik kan openen, zodat het water leegstroomt in een lager gelegen meer (er zijn hier een stuk of vijf meren die allemaal in elkaar overlopen). Toen ik de buurman sprak bleek dat ze een probleem hadden. Ze vangen de laatste tijd niet meer zo veel, die vissers. Wat ik ervan begreep is dat ze last hebben van oude boomstronken die op de bodem van het meer liggen. De slimme karpers verschuilen zich erachter, én de haak van de vissers blijft erin hangen. Dus nu willen ze de bodem van het meer leeg schrapen (en er een soort aquarium van maken). Ze noemen het wel een sport, maar het moet niet te moeilijk zijn, toch?

Zoiets doen ze dus met een enorme graafmachine. Zo’n ding weegt wel 20.000 kilo, en dient zich dus op de zachte, zompige bodem van het meer te begeven. Ziet u dat voor zich? Hij zou direct voor driekwart onder de blubber verdwijnen. Maar daar hebben ze iets op bedacht. Eerst leggen ze met de happer een zooi boomstammen op de modderige bodem, waarna de machine daar voorzichtig op rijdt, om vervolgens met dezelfde happer de achter de machine vrijkomende stammen telkens op te pakken, naar voren te halen en ze weer vóór de machine te leggen. Zo verplaatst het ding zich beetje bij beetje over de moerassige bodem van het meer.

Waarom weet ik niet precies, maar de buurman vroeg of de vrachtwagen met boomstammen via onze paardenwei naar zijn meer mocht rijden. Ach, waarom niet? En dus reed er vanmiddag die enorme vrachtwagen vol boomstammen naar de plek waar een opening in het paardenlint was. We liepen erheen en schudden de chauffeur de hand. Hij keek twijfelachtig naar de soppige wei, of hij daar niet in vast zou lopen. Wij daarentegen dachten vooral aan de verwoesting die hij met zijn loeizware vrachtwagen zou veroorzaken. We hebben al te weinig terrein voor onze twee paarden en als van dat beetje gras een deel de komende maanden niet gebruikt kon worden… Maar goed, hij was er nu eenmaal, dus toch maar proberen. Het lukte, hij bleef niet steken. Maar de twee brede, bovenal diepe sporen staarden ons nadrukkelijk aan. 

De chauffeur vroeg of we iets hadden afgesproken met onze buurman over de aan te richten schade? Hm, nee, die had het doen voorkomen dat er geen enkel probleem was te voorzien. Dat we hem op zijn woord geloofden was natuurlijk enigszins naïef. Maar de vriendelijke Julien zei dat hij het met zijn baas ging bespreken. “We zorgen er wel voor dat dat weer goed komt, we brengen wat grond en vullen de sleuven op met behulp van een klein graafmachientje. Komt goed. Pas de soucis.” In het late winterzonnetje liepen we terug naar ons huis. Ik weet niet of de meeste mensen deugen, maar goedheid bestaat.

De Franse ziel: ‘ça va’

Onlangs was ik weer een paar dagen in Amsterdam. En hoewel het aardige van een grote stad is dat je zelden een bekende tegenkomt, gebeurt me dat de laatste tijd toch regelmatig. Zo ook nu, notabene in de wachtkamer bij de dermatoloog. Nu kunt u zich afvragen: wat doet die man bij een Amsterdamse dermatoloog? Moet hij niet in Frankrijk naar de dokter? 

Nu, dat doe ik wel, ik loop er al met veel genoegen bij verschillende specialisten. Maar ik heb de belemmerende overtuiging dat je beter niet bij een Franse dermatoloog terecht moet komen. Dat komt door Guy, een Franse vriend van mij, die net als ik een paar rare plekjes op zijn hoofd had, waarna zijn (Franse) dermatoloog de een na de andere enorme huidtransplantatie heeft uitgevoerd, met als gevolg dat zijn schedel nu lijkt op het oppervlak van de maan. Dus ja, ik ga nog maar even één keer per jaar voor controle naar mijn Amsterdamse dermatoloog. 

Maar dat allemaal terzijde! Ik liep daar, zoals gezegd, iemand tegen het lijf die ik een tijd niet gezien had, en dus was mijn logische vraag: ‘Hoe gaat het?’ Waarop haar evenzeer voorspelbare antwoord volgde: ‘Ja, heel goed. Met jou?’ Ook ‘goed’ natuurlijk. Zo doen we dat in Nederland. Het is nog net niet zoals in New York, waar het amazing en great niet van de lucht is, maar onder jonge mensen klinkt toch al opmerkelijk vaak ‘super’, al dan niet met uitroepteken!

In Frankrijk gaat dat anders. In ieder geval hier in onze streek. Op de vraag hoe het gaat, volgt steevast een enigszins somber: ça va. Letterlijk vertaald: ‘het gaat’. In Nederland betekent dat toch impliciet dat er iets aan de hand is. In het begin moest ik daar nogal aan wennen. Ik kwam wel eens thuis met de mededeling dat het met die en die echt niet goed ging, aangezien hij zo neerslachtig had gereageerd op mijn vraag hoe het met hem ging. Later leerde ik dat werkelijk iedereen, werkelijk altijd, ça va zegt. En ook immer op diezelfde melancholische toon, waarin iets doorklinkt van: ‘het is wat het is, het leven valt niet mee, maar we maken er maar het beste van’. Nu kan ik daar wel inkomen, dus dat scheelt.

Maar ik heb wel het idee dat het iets zegt over ‘de Fransen’. Natuurlijk, dat soort generalisaties over volksaard, over de Franse ziel, is volstrekt uit den boze. Maar ze klagen wel heel graag, die Fransen. Ik hoor u denken: ‘nou, wat dacht je van Amsterdammers?’ Goed punt. Maar toch, quand même

Nu we toch over die Franse volksaard bezig zijn: in de directe omgeving van ons huis woont een zeer beperkt aantal mensen. Stuk of tien. Van die tien zijn er maar liefst vier (in dit geval vrouwen) die een sterk geloof hebben in alternatieve geneeswijzen. Een is helemaal van de voedings- en kruidenleer, als het om genezen gaat, eentje doet iets wat me maar niet duidelijk wil worden, en de andere twee zijn into ‘kinesiologie’. Ik dacht eerst dat het om fysiotherapie ging, dat heet hier namelijk kinesthésie. Maar nee, dit is iets geheel anders. Bij kinesiologie worden middels een soort spiertest ‘blokkades opgespoord in de energiebalans’. De spieren zijn ‘even de woordvoerders van lichaam en geest’. Toegegeven, er is een hoop dat we nog niet weten over ziektes en over de relatie tussen geest en lichaam, maar waar in Nederland een alternatieve geneeswijze als kinesiologie als kwakzalverij wordt beschouwd en uit het verzekeringspakket is gegooid, lijkt er in Frankrijk een gunstiger onthaal te zijn. 

Een van die kinesiologie-adepten is onze buurvrouw. Ze is nog in opleiding maar wil graag oefenen. Wat wil het geval? We hebben twee Friese paarden. De oudste, Théos, heeft met enige regelmaat een abces in zijn hoef. Dat gaat meestal vanzelf over, maar soms behandelen we zoiets zelf, soms komt de hoefsmid, en heel soms de dierenarts. Nu leek het onze buurvrouw een uitgelezen mogelijkheid om haar verworven vaardigheden eens op Théos uit te proberen. Want ja, ook bij dieren kan er – aldus buurvrouw – een ‘energetische disbalans’ zijn, en zo’n spiertest legt dat allemaal bloot. Beter een goede buur dan een verre vriend, en dus kwam op een zonnige ochtend buurvrouw langs om Théos een paar ‘vragen te stellen’. Zoiets gaat dan via een tussenpersoon, in dit geval dus Caroline, mijn lief, en de berijder en verzorger van arme Théos.

C. en buurvrouw klommen tussen het lint door in de paardenwei. C. diende haar rechterhand op de flank van Théos te leggen, en haar andere arm uit te strekken, zodat buurvrouw op een spier in haar onderarm kon drukken terwijl C. tegendruk gaf. Vervolgens moest ze ook een van haar benen omhooghouden, waarop dezelfde diagnostiek werd losgelaten. Ondertussen was Max, de andere Fries, nieuwsgierig naderbij gekomen en drukte zijn enorme neus overal tussen. Ook hond Pomme en poes Bibi toonden hun belangstelling door te likken en kopjes te geven. Terwijl C. daar op één been aan het balanceren was, met haar hand op de hals van Théos, en alle andere dieren zich aan haar opdrongen, besloot Théos dat het zo wel mooi was geweest en wilde ervandoor. Met haar andere hand kon C. nog net het halstertouw pakken. 

Nadat buurvrouw wat met haar handen in de krullen van C. had gerommeld, en nog wat had gedrukt op de huid rond haar ogen én op de zevende (!) rugwervel, begon het vragen stellen. Vooralsnog aan C. Wanneer had zich voor het laatst een abces geopenbaard? Was er rond die tijd iets veranderd? Nee, geen idee. Nou ja, misschien was het net na de overgang van de winterwei naar de zomerwei. Ah! Daar gloorde een hypothese! Aan Théos werd de vraag gesteld (terwijl de spieren in de arm van C. in de gaten werden gehouden): ‘hoe voel je je in die winterwei, vind je het fijn in de winterwei, ben je bang in de winterwei?’ Ja, hij was bang. ‘Wil je liever dicht bij huis zijn?’ Ja, dat wilde hij. Et voila! Daar was de diagnose! C. kreeg een flesje met wat druppels van een of andere geneeskrachtige bloem, die ze twee weken lang, twee druppels per dag, op een stukje appel moest doen en aan Théos geven. Dan zou alles goed komen.

Toen ik een week daarna buurvrouw tegen het lijf liep, was het eerste wat ze vroeg: ‘En, hoe gaat het met Théos?’ Waarop ik geheel naar waarheid zei: ‘Ça va…’

Een adorabel monster

We hebben sinds vorige zomer een poes, Bibi. Een elegante, frêle Franse dame. Adorabel, maar ook een jager. Poezen eigen. Haar eerste zomer was ze niets anders dan een juweel van een kitten. Een hoopje dons met grote oren. Maar dit jaar ontdekt ze de geneugten van het leven op het platteland, met name vanaf het moment dat het weer zodanig was dat ze elke dag naar buiten kon. Er is nogal wat om op te jagen, natuurlijk. Zo hadden we de afgelopen jaren een woelmuizenplaag in ons gazon. Nou, dat is over! In het begin kwam ze vol trots dagelijks met een muis naar binnen. Vaak nog half levend, waarop we uit alle macht probeerde het slachtoffer uit haar klauwtjes te redden en indien mogelijk te reanimeren.

Toen kwamen de hagedisjes. Niet dat die een plaag vormen, maar ze leven hier wel in groten getale om ons huis. Afgerukte staartjes, onthoofde lijfjes, die soms nog een half uur lang verleidelijk bleven kronkelen, als het ideale speelgoed voor de scherpe nagels van Bibi. Op een ochtend vonden we een enorme houtduif in de keuken. Waarschijnlijk had ze die al in overleden staat gevonden, want dat konden haar kaken nog niet aan, leek me. Ze moet er wel een hoop werk aan gehad hebben om hem door het kattenluikje naar binnen te sleuren.

We zagen met vrees het voorjaar komen. Want ons huis en tuin is elk jaar rijk aan vogelnesten, onder de dakrand, onder de pannen, in de haag, in de wingerd tegen de muren. Roodstaarten, gele en witte kwikstaarten, putters, merels, vinken. In het bos de wielewalen, lijsters. Enfin, een snoepwinkel voor een poes, op het moment dat de vliegoefeningen van het nieuwe gebroed zouden gaan plaatsvinden.

Het ging best lang goed. Blijkbaar konden de jonge gele kwikstaartjes en puttertjes zich van meet af aan goed redden. Vorige week ging het echter toch mis met een jong mereltje. Een angstaanjagend gegil en gepiep alarmeerde ons. Misschien was ze uit het nest (in de wingerd) gevallen, en kon ze nog niet vliegen, maar Bibi had haar te pakken en in een hoek van het terras gedreven. Pa en moe merel zaten schreeuwend in de kersenboom toe te kijken. Bibi wist niet zo goed wat ze ermee aan moest, het vogeltje was al best groot, een kleine mensenvuist. Ik pakte het – onder protest van Bibi – op, en na een paar pogingen om me toe te takelen met haar snavel, gaf ze zich over aan mijn warme hand en kon ik haar terugleggen in haar nest. In de hoop dat pa en ma weer verder konden gaan met voeren en ze over een paar dagen misschien wel zelf kon vliegen. Maar, ijdele hoop. Een paar uur later: hetzelfde geschreeuw en weer had Bibi haar te pakken. Opnieuw gered, en het nerveuze hoopje vogel in de haag gezet, wat verderop.

Misschien was het een enigszins gehandicapt vogeltje, met een vliegprobleem, want niet veel later moesten we haar weer uit de klauwen van Bibi halen. Toch maar nogmaals in het nest teruggezet, waarna er een paar uur niets meer gebeurde. ‘s Avonds – Bibi lag inmiddels onschuldig binnen te slapen – brak er opnieuw een enorm gegil uit, in de buurt van de garage. Ik liep naar buiten en zag vader merel schreeuwend op de grond heen en weer springen. Toen ik dichterbij kwam schrok hij van mij en vloog op. Waarop een sperwer, die ik nog niet had ontwaard, met een pijlsnelle vlucht op het jonge mereltje dook, die zich in een hoekje tegen de garagedeuren had geklemd. Voor ik het wist vloog de sperwer weg met de prooi in zijn bek. En werd het stil. De hele dag mijn best gedaan voor de merelfamilie, en nu – door mijn schuld, ik leidde vader merel af – alsnog een bitter einde.

Gisteren kwam Bibi opeens met een slang aan. Een couleuvre, een soort ringslang. Om precies te zijn: een geelgroene toornslang, een couleuvre verte et jaune. Die leven hier bij ons in de kelder. Dit exemplaar was nog niet helemaal volgroeid, een kleine meter groot, en een duim dik. Bibi had haar te pakken, maar had ook duidelijk geen idee hoe het verder moest. Vooral niet omdat de slang zich dood hield. Hij bewoog helemaal niet meer. “Geef die maar even hier,” mompelde ik. Ze liet het met moeite toe. Ik nam hem mee, legde hem aan de overkant van de weg in het gras, en constateerde een kwartier later dat ie weg was. Hopelijk wel op eigen kracht. Ik word op mijn oude dag te sentimenteel voor het leven op het platteland.

Vanaf nu is het mogelijk om te reageren op de blogs. Om de een of andere reden had ik dat altijd ‘uitgevinkt’, maar ik merkte dat er lezers waren die de mogelijkheid om een reactie te geven op prijs zouden stellen. Bij deze dus (boven, onder de titel). Laat niemand zich verplicht voelen!

Quand la merde touche le ventilateur

Er zal wel geen Franse vertaling zijn van de Amerikaanse uitdrukking when the shit hits the fan. Tikje te ordinair voor de Fransen. Ik moet er een reden voor hebben gehad waarom ik niet een dag eerder naar Amsterdam was gekomen, maar daar heb ik even geen actieve herinnering meer aan. Zo kwam het dat ik op een vrijdag in alle vroegte om vier over zeven op het perron in Limoges in de trein stapte, met als doel om rond vier uur in de middag aanwezig te zijn in een zaaltje in de Joh. M. Coenenstraat, om voor te lezen uit mijn nieuwste roman. 

Aanvankelijk verliep alles voorspoedig. De heuvels van de Creuse vlogen aan mij voorbij en om een uur of elf zat ik in een zonovergoten Jardin des Plantes met een beker koffie en een sandwich te kijken naar de klassen met Parijse schoolkinderen, die daar hun botanische kennis kregen aangereikt. Beschaving! Vervolgens de metro naar Gare du Nord, waar ook de Eurostar perfect op tijd vertrok. Waardoor ik inderdaad rond half vier op Schiphol arriveerde, om daar het boemeltje naar Station-Zuid te nemen. Het was nog steeds mogelijk: om vier uur in De Coenen.

Maar ja. Ik stapte uit op Station Zuid en het begon te regenen. Haastig liep ik naar de Beethovenstraat, waar ik op de hoek met de Prinses Irenestraat nog altijd mijn oude stadsfiets heb staan in een van de fietsrekken daar. Had, moet ik zeggen. Hij was verdwenen. Gestolen? Weggehaald door de gemeente? Alle rekken in de buurt liep ik af, maar nee, geen fiets meer. 

Inmiddels was het al vier uur. De bijeenkomst was begonnen. Op een holletje terug naar de fietsenstalling bij het station, om een OV-fiets te scoren. De zeer relaxte jongen die daar werkte leidde mij naar de klaarstaande OV-fietsen, maar het lukte niet om er een van het slot te krijgen met mijn OV-chipkaart. “Geef mij uw kaart maar, heer, dan check ik het even out.” Toen hij terugkwam was de diagnose dat er geen OV-fietsabonnement op mijn onlangs vernieuwde OV-chipkaart zat. “Als u dat even regelt dan …” zei de jongen zangerig. 

Nog 10% batterij op mijn telefoon. Waar had ik ook weer mijn bril? Koffertje, rugzak, jas? Kortom, het duurde even voor ik op de juiste website was en een fietsabonnement aan mijn OV-chipkaart kon toevoegen. De tijd tikte door. Daarna was het wachten op de bevestigingsmail. Eerder kon de vriendelijke jongen me niet verder helpen. Ik durfde niet meer op mijn horloge te kijken om te zien hoe laat het inmiddels was. Een eeuwigheid verder kwam de mail binnen en konden we een fiets van het slot halen.

In de stromende regen geselde ik de trappers, vloog door de Minervalaan, stak de Stadionweg over met gevaar voor eigen en andermans leven. En kwam uiteindelijk bezweet en uitgewoond aan bij De Coenen. Geen idee hoe laat het op dat moment was, maar in het goed bezette zaaltje kon ik aan de zijlijn met een kop koffie bijkomen, onderwijl luisterend naar voordrachten van anderen. 

Uiteindelijk kwam het allemaal goed. Een betrokken en geïnteresseerde interviewer leidde me door de rest van de middag. Ik was weer in mijn stad, mijn buurt, en las een paar passages voor die zich daar afspeelden. De aanwezigen luisterden aandachtig, zo leek het. Op mijn hotelkamer, later op de avond, ontwaarde ik een heuse ventilator. Ik vind het een prachtige uitdrukking: when the shit hits the fan. Ik zie het beeld altijd direct voor me. Ik geef toe, zo erg was het inderdaad niet die middag. Misschien moeten we haar bewaren voor echte rampen, zoals de opkomst van radicaal-rechts, nu ook in Frankrijk.