Categorie archief: Geen categorie

Onze kippen: slotaflevering

Al twee keer eerder berichtte ik over de avonturen met onze kippen. Nu dan toch ook maar de epiloog. Een korte samenvatting van het voorafgaande. Het begon vorige zomer, met onze drie dames. Zwart waren ze, met gouden veren in hun hals. Ze deden elke dag braaf hun plicht: een ei leggen, waarna ze vervolgens de hele dag lekker over ons terrein of in ons bos scharrelden, en uitrustten in de schaduw van de appelboom. Ze hadden een mooi kippenhok voor de nacht, maar overdag gaven we ze de ruimte, vooral omdat we merkten hoe natuurlijk dat voor ze was: eropuit! Maar het paradijs was van korte duur. Het begon met een moordlustige buizerd. Toen hadden we er nog maar twee. Niet veel later werd er een ziek. Coccidiose. We gaven haar een apart hokje met veel zacht hooi, een hospice, waar ze mocht sterven. Toen hadden we er nog maar een. 

En dus reden we weer naar de kippenfokker en kochten er twee nieuwe bij: een rode en een grijze. Ze waren nog jong en legden nog niet, waardoor onze gigantische voorraad eieren gelukkig wat begon te slinken. De groepsvorming liet ook even op zich wachten. Waren we gewend aan een gezellig clubje, nu deed ieder voor zich maar wat. Soms kwamen we de rode dame in haar eentje ergens tegen op het zandpad, achter ons terrein. Waar ze op haar dooie gemak uit het bos kwam aanlopen, alsof ze met haar handtasje even was wezen winkelen. Maar langzaam maar zeker werd het toch wel weer een team. Zwart, rood, grijs. Voorwaar een divers gezelschap. De twee nieuwe begonnen ook te leggen, geheel volgens plan. Maar na hun dagelijkse plicht liepen ze alle drie steeds vaker meteen naar de buren, waar alle dagen kattenbrokjes op het terras staan. Die buren hebben – spoiler! – geen omheining, en dus geen afscheiding van de openbare weg.

In december was het zover. Een gehuchtje verderop woont een mevrouw die een hond heeft aangeschaft, een husky. Niet de makkelijkste honden. Mild uitgedrukt: een hond met temperament. In gewoon Hollands ‘prooidrift’. Ze wandelde met haar hond, niet aangelijnd, langs ons huis, en haar husky zag in zijn ooghoek een van onze kippen, de laatst overgebleven zwarte, op het terrein van onze buren lopen. 

Zo bleven de rode en de grijze over. Dat ging best een tijdlang goed. Een mooi leven hadden ze. Eten en drinken in hun hok. Overdag lekker overal scharrelen, in ons bos, bij de buren, in de moestuin. Af en toe kwamen ze gezellig kwebbelend naar ons toe, zeker als ze een blaadje sla of wat overgebleven pasta ontwaarden. En tegen de schemering zochten ze zelf hun hok op, waarvan we dan, als het echt donker werd, de deurtjes op slot deden. Om de volgende ochtend – luid roepend – weer door een van ons bevrijd te worden. 

Maar ja, op de beelden van onze wildcamera hadden we al gezien dat er vrijwel elke nacht een of twee vossen rond ons terrein aan de wandel waren. En bovendien weten we in het bos een vossenhol op een paar honderd meter van ons huis. Zo rond begin april – ook dat weten we – is het de tijd van de jonge vosjes, de welpen. Die, naarmate ze wat ouder worden, flink wat eten moeten krijgen. Met als gevolg dat het vossenkoppel steeds brutaler werd en zich ook overdag al liet zien. Lang verhaal kort: in een tijdsbestek van een week was eerst op klaarlichte dag de grijze gepakt en vervolgens was pa of ma teruggekomen om ook onze laatste kip te grijpen, en die aan zijn welpjes te voeren. 

We hebben ons kippenhok aan de zus van onze buurvrouw verkocht … Het is klaar met de kippen. We konden er niet meer tegen, elke keer de confrontatie met de dood van een dier waar je je toch – al zal dat sommige mensen bevreemden – aan gaat hechten. Elke kip had een andere persoonlijkheid. En communiceerde op een andere manier met ons. Het waren wézens. Die we een leuk leven wilden geven. Een natuurlijk leven. En die we niet als gevangenen in een hok wilden stoppen.

Het blijft ingewikkeld, hoe we ons verhouden tot dieren. We hebben ook twee honden, twee paarden en een poes. We proberen ze zoveel mogelijk een leven te geven dat overeenkomt met hun natuurlijke behoeften. Maar ja, hoe zit dat dan met paardrijden? Een metalen bit in zijn mond proppen en er vervolgens bovenop gaan zitten? Is dat leuk voor een paard? Of de honden aan de riem als we een stukje langs de weg gaan lopen? Nou ja, dat is voor de veiligheid, zou je kunnen zeggen, zoals je ook bij kinderen de grenzen bepaalt. Maar het weghalen van een muis of hagedis die onze poes te pakken heeft, die ze vervolgens een half uurtje wil martelen?

Wat is wijsheid: een kip opsluiten in een ren, waar ze hooguit een korrel graan kunnen zoeken die je er af en toe ingooit, maar waarin ze veilig zijn? Of haar de vrijheid geven om de hele dag te doen waar ze zelf zin in heeft, flinke wandelingen maken, het ene na het andere insect uit de grond peuteren? Met als gevolg dat het een mooi, maar kort leven zal zijn? Of zou dat juist een stressvol bestaan zijn voor een dier, met zoveel gevaar om zich heen? Ik weet het allemaal niet meer. 

De aap in ons

Twee weken geleden de kraanvogels. Vorige week een koppel gele kwikstaarten. Allemaal terug uit het warme zuiden. Lente op komst. Einde van de grauwe regentijd. En dan komt onverwacht het bericht van het overlijden van Frans de Waal binnen. Vijfenzeventig jaar geworden. Veel te vroeg. Soms zijn er mensen die je eeuwig om je heen wilt hebben. Van wie je (vrijwel) alle boeken hebt gelezen. Die je inzichten hebben gegeven. Door wie de wereld er anders is gaan uitzien. 

De aap in ons. Dat sprak me wel aan: die zag ik wel, de aap in ons. Maar sterker: hij liet ook de mens in de aap zien. Ik was in mijn werk bezig met kinderen en jongeren te leren hoe je conflicten op kan lossen. Soms heb je daar een derde, neutrale partij voor nodig, een mediator. We trainden leerlingen die zo’n rol op hun school wel wilden vervullen. Terwijl we daar mee bezig waren, las ik in een van de boeken van Frans de Waal over hoe apen dat doen. Als twee chimpanseemannetjes zich niet willen verzoenen na een confrontatie, wordt een van hen benaderd door een vrouwtje, dat hem gaat vlooien. Na een tijdje staat ze op en loopt langzaam naar het andere mannetje, terwijl de eerste haar volgt, zonder ook maar een moment naar zijn rivaal te kijken. Dan gaat het vrouwtje dicht bij het andere mannetje zitten en beginnen beide mannetjes haar te vlooien. Tot ze gewoon wegloopt en ze elkaar gaan vlooien. Mediation bij apen. Het zijn overigens alleen de vrouwtjes die dat doen en dan ook nog die met de hoogste rang. 

Hier in Frankrijk leven we tussen de dieren. Uiteraard zijn er de wilde dieren. Ik heb een tijdje een wildcamera opgehangen in ons bosje achter ons huis, en merkte hoe druk het daar ’s nachts is, terwijl wij liggen te dromen: reeën, dassen, vossen, everzwijnen, boommarters. Maar we hebben zelf inmiddels ook vrij veel dieren, nou ja… veel: twee paarden, twee honden, een poes en twee kippen. Als je leeft met en tussen dieren dan realiseer je je steeds beter wat Frans de Waal probeerde uit te drukken in zijn boeken: dat dieren intelligenter, rechtvaardiger, emotioneler zijn dan we altijd dachten. Je ontdekt de verschillen in karakter. Het ene paard is bescheiden en voorzichtig, de ander brutaal en bruusk. De ene hond is slim, begrijpt ’s ochtends vroeg al dat er boodschappen gedaan gaan worden in plaats van naar het bos, de ander is wat dommig. De ene kip gaat haar eigen gang, de ander is graag bij je. Je leert zien dat ze op een heel andere manier slim zijn dan wij. Horen veel beter, ruiken immens veel beter. Ik las over een hond die was kwijtgeraakt in de buurt van Bordeaux en na twee maanden weer opdook bij zijn huis, tweehonderd kilometer oostelijker, in de buurt van Brive. We leerden van De Waal dat we niet te veel door mensenogen naar dieren moeten kijken. Wij zijn gefocust op taal en het gebruik van werktuigen. Als dieren iets doen dat daarin past, vinden we dat reuze intelligent. Maar we beginnen steeds meer te ontdekken over andere eigenschappen van dieren, zoals echolocatie van vleermuizen, camouflagetechniek van octopussen en oriëntatie van vogels. 

De Waal beschreef ook het fenomeen van de zondebok. Als er spanningen in een groep zijn, worden die afgereageerd op een arme ziel onder aan de ladder. Weghalen van die arme aap heeft geen zin. Voor je het weet is er een nieuwe zondebok, de ideale bliksemafleider van spanningen. Vaak kiezen ze een zondebok die volstrekt ongevaarlijk voor ze is. Zo was er een groep chimpansees waarbij, als de spanningen te hoog opliepen, een van hen ging blaffen naar het aangrenzende safaripark met leeuwen en jachtluipaarden. De hele kolonie was al snel uit volle borst aan het blaffen naar die afschuwelijke beesten, veilig opgesloten daar achter dat hek en een gracht. De spanningen werden vergeten.

Komt dat bekend voor? We kunnen helaas Frans de Waal niet meer vragen als nieuwe premier. Misschien anders een ouder vrouwtje, met hoge status? Gerdi Verbeet?

De haag snoeien

Net klaar met ruim honderd meter haag snoeien. Vroeger deed ik dat in twee dagen. Nu ben ik er weken mee bezig. Elke dag – als het aardig weer is – een stuk. Toen we dit huis kochten, ruim twintig jaar geleden, was er de bekende Franse afscheiding tussen ons terrein en de weg: om de twee meter een betonnen paaltje, waar van dat witte gaas aan was bevestigd. Nul privacy. Dus een van de eerste dingen die we hier deden was een haag planten over de gehele lengte langs dat hek. 

In die dagen reden we nog met enige regelmaat op en neer naar Nederland en namen we telkens wat vlechthegpakketten mee terug. Gemengde bosjes wilde planten, zoals hazelaar, kornoelje, lijsterbes, Gelderse roos, haagbeuk, zomereik, wilde liguster en meidoorn. Er waren pakketten mét en zonder doornen. Ik nam ze allebei. Was nog een aardig werkje om die in de grond te krijgen, aangezien de bodem hier vooral uit keien bestond. Maar ach, ik was net vijftig, dus… 

Toen alles een beetje gegroeid was begon het jaarlijkse ritueel: het snoeien van de haag. Na een paar jaar kwam ik erachter dat ik beter niet de pakketten met doornachtige planten had kunnen nemen. Want na het opruimen van de gesnoeide takken was steevast de band van de kruiwagen lek. Dus in de loop der tijd alle meidoorn en andere doornige struikjes er weer tussenuit gehaald. Ik bleef lekker bezig zo. Maar… het was al met al een mooie gemengde haag geworden.

Een flinke jaarlijkse klus dus, het snoeien. In het begin altijd in de herfst. Een prachtig seizoen hier. Warm en zonnig. Ik herinner mij zo’n snoeibeurt waarbij ik mezelf flink in het zweet had gewerkt en steeds meer kleren had uitgetrokken, tot ik nog slechts in een korte broek op mijn keukentrapje stond. Ik liet de haag namelijk altijd te lang doorgroeien, zodat ik er niet meer staande bij kon. Dus moest ik telkens op een keukentrapje klimmen en met de best zware elektrische heggenschaar boven mijn macht zo ver mogelijk reiken om overal bij te kunnen. Vermoeiend. Meestal knipte ik dan ook, tegen het einde van de klus als ik echt moe werd, het verlengsnoer doormidden, zodat de stoppen doorsloegen en ik een half uurtje kwijt was aan het repareren van het verlengsnoer. 

Maar ik dwaal af. Terwijl ik daar op mijn keukentrapje stond, in die door God gegeven rust, kwamen opeens, uit het niets, twee dames aanlopen. Er komt hier nooit iemand langs, laat staan lopend. Maar nu kwamen er twee vreemde feeën aan, gekleed in lange rokken tot de enkels, met in hun handen allebei een boekje. Het was mij, zonder dat ze nog een woord gesproken hadden, meteen duidelijk dat ik hier te maken had met een Franse versie van de Jehova-getuigen. Het had even geduurd, maar ze hadden me hier dan toch gevonden! Het leek alsof ze door God zelf uit de hemel waren neergelaten, om mij op deze mooie middag wat dichterbij een eeuwig leven te brengen. Toen ze vlakbij waren, zei ik ze in mijn beste Frans beleefd gedag. 

“Veel werk, zo’n haag”, zo opende de langste dame de conversatie.

“Zeker. C’est du boulot!

“Wel mooi weer”, voegde de kleine toe.

“Dat is zeker waar”, beaamde ik, terwijl ik snel mijn T-shirt aandeed.

De beide dames hadden zachte, zoetgevooisde stemmen. Vleierig complimenteerden ze mij met mijn Frans. “Zoveel beter dan de Engelsen”, zei de kleinste van de twee. Geschrokken door de impulsiviteit van haar collega, haastte de lange statige dame verontschuldigend te vragen of ik wellicht een Engelsman was. 

“Non, Hollandais.”

“Ah,” ze pakte direct door. “Kent u de bijbel?”

“Maar natuurlijk. Wie niet?”

Ze toonde mij de boekjes die ze in hun handen hadden, en legde uit dat daarin stond geschreven dat het einde der tijden was aangekondigd. Op 20 december aanstaande, om precies te zijn. 

“Dat zou jammer zijn”, mompelde ik.

Dat vond zij ook. Maar, zo vulde ze mij aan, in die boekjes stond ook geschreven dat er een uitweg was! Verwachtingsvol keek ze mij aan. Ik begreep dat het mijn beurt was, draaide er wat omheen en zei dat mijn Frans misschien op het eerste gezicht wel wat leek, maar dat het lezen van Frans voor mij toch nog wel gecompliceerd was. 

“Oh, dat geeft niets. Met plezier stuur ik u een paar adressen in Nederland, waar ze u van diezelfde boekjes in uw eigen taal kunnen voorzien,” riposteerde zij soepel. De kleine knikte mij stimulerend toe.

Ik greep mijzelf bij elkaar, klom van mijn trapje af en maakte de dames op mijn meest sympathieke manier duidelijk dat ik – désolé, désolé – geen enkele interesse had in hun ongetwijfeld zeer ware woorden. Ze knipperden zelfs niet even met hun ogen. Ook dat gaf niets. Ik had ze, zo leek het, in één klap overtuigd van het feit dat er niet veel viel te halen bij deze halfnaakte, zweterige Hollander. Zonder een spoor van teleurstelling of ergernis, wandelden ze, even vriendelijk als ze waren gekomen, weer weg. Ik keek ze na, min of meer verwachtend dat ze zouden opstijgen, maar dat deden ze niet, tenminste niet voordat ze achter de bocht in het weggetje waren verdwenen. Ik pakte de heggenschaar, klom op mijn trapje en ging verder met de haag. Een meidoorn – het was nog voordat ik de haag had opgeschoond van de doornachtigen – prikte me ongenadig in mijn vinger. God’s straf? 

Ik heb ze nooit meer gezien sindsdien. Sowieso is de herfst niet meer wat het was hier. Natter. Om nou in de regen te gaan staan snoeien. Dus begon ik het snoeien uit te stellen. De laatste jaren doe ik het in februari, zo ook de afgelopen tijd. Inmiddels met een draadloze heggenschaar, op een accu. Elke dag een stukje. Net zeventig, dus…

Onze kippen: hoe verder

Ze hadden een mooie zomer, onze drie dames. Zwart waren ze, met gouden veren in hun hals. Ze begonnen de dag met hun plicht: een ei leggen. Vervolgens scharrelden ze gedrieën de hele dag lekker over ons terrein of in ons bos, en rustten uit in de schaduw van de appelboom. Onze twee labradors lieten ze na een onstuimig begin met rust. Saar wilde nog wel eens blaffend op ze af hollen, maar veel meer was het ook niet. Keek me dan wel even aan: ‘wat doen die beesten eigenlijk hier, op mijn terrein?’ Maar de dames drentelden rustig onder onze paarden door, zonder angst langs hun enorme hoeven. Kortom, een harmonisch geheel.

Maar het paradijs was inderdaad van korte duur. Het begon met een buizerd, denken we -met ons de autochtonen om ons heen. We vonden haar, in de kippenren, opengescheurd, ingewanden eruit hangend. Dood dus. We legden haar een paar honderd meter verderop in het struikgewas, voor de vossen. Toen hadden we er nog maar twee. Niet veel later werd er een ziek. Coccidiose. Ze werd steeds slomer, zonderde zich af, kreeg vreemde poep, at en bewoog niet meer. We gaven haar een apart hokje met veel zacht hooi, waar ze mocht sterven, een hospice. Naar om te zien, zo’n lijdend dier. Op een ochtend was het zover. Toen hadden we er nog maar een. 

En dus reden we maar weer naar de kippenfokker en kochten er twee nieuwe bij: een rode en een grijze. Ze waren nog jong en legden nog niet, waardoor onze gigantische eierenvoorraad begon te slinken. De groepsvorming liet ook even op zich wachten. Waren we gewend aan een gezellig clubje, nu deed ieder voor zich maar wat. Complicerende factor was dat we ook opeens een jong poesje kregen. Bibi. Van onze aannemer die een nestje kwijt moest. 

Bibi, hoe klein ze ook was, ontpopte zich gelijk als een roofdier. Nam gelijk al af en toe een dode woelmuis mee naar binnen. Niet veel later hagedisjes. Maar had ook bijzondere aandacht voor de kippen. Met name de twee nieuwelingen, de jonkies, lieten zich door haar opjagen. Op een ochtend joeg Bibi ze over ons terrein, waarop de rode en de grijze pardoes het meer invlogen. Ze bleken te kunnen zwemmen. Maar hoe ver en hoe lang was nog maar de vraag. De rode zwom in paniek naar het midden van het enorme meer, waarop Pomme, onze bruine labrador als een echte strandwacht het water in dook en met een grote boog om de rode kip heen zwom, en haar daarna naar de oever dirigeerde. Over intelligentie bij dieren gesproken. 

De andere, de grijze, waren we kwijt. Verzopen? We vroegen het Pomme. Zoek! Ze dook het meer weer in en zwom alsmaar op en neer langs een stuk oever wat verderop. Ik besloot mijn liespak, of hoe heet zoiets, waar vissers mee het water in kunnen, aan te doen. Ooit aangeschaft om een omgevallen boom uit het water te kunnen zagen. Kwam weer eens van pas! Half wegzinkend in de blubberige bodem zocht ik langs de route die Pomme alsmaar zwom, en ja hoor. Opeens zag ik haar. Ze had zich in paniek in het bramige struikgewas langs de waterkant geworsteld. Het duurde nog even voordat ik haar daaruit had gekregen, maar ze waren gered. Misschien wat getraumatiseerd, maar ach. 

Enfin, ze werden langzaam maar zeker toch wel weer een clubje, al deden ze ook veel dingen apart. Soms kwamen we de rode dame in haar eentje ergens tegen op het zandpad, achter ons terrein. Waar ze op haar dode gemak uit het bos kwam aanlopen, alsof ze met haar handtasje even was wezen winkelen. Ze begonnen ook te leggen, geheel volgens plan. Maar ze wandelden steeds vaker bij de buren, in plaats van gezellig op ons terrein. Die nog steeds geen omheining hebben, geen afscheiding van de weg. 

Vorige week stond er opeens een mevrouw voor onze deur, met een hond aan een lijn. Een husky. Ze zag er droef uit. Het was een van de bewoonsters van het gehuchtje verderop. We kenden haar wel. Ze stond in tranen voor onze deur. Wat bleek? Ze wandelde met haar hond, niet aangelijnd, langs het weggetje. Haar husky zag in zijn ooghoek een van onze kippen, de laatst overgebleven zwarte, op het terrein van onze buren lopen. Nam een spurt, greep de kip, en rende er keihard mee weg. Tegen de tijd dat de eigenaresse bij hem was, had hij de kip al vermoord. Duizend excuses, en natuurlijk wilde ze de kip vergoeden, enzovoort.

C. liep, toen de buurvrouw weg was, met dochter Tessa (ik was ziek die dagen, lag met buikgriep en koorts op bed), in de richting van plaats delict. De kip was ernstig verwond, maar af en toe bewoog er nog een poot. Met de creperende kip in haar armen kwam C. terug naar huis, vroeg een bijl, liep door naar het hakblok waar we onze stammetjes op klieven en nam haar verantwoordelijkheid. Van achter het raam zag ik ze na afloop samen staan, Tessa met haar armen om C. heen. Plattelandsleven next level.

Kip op de kop

Kippen horen niet op de kop, oordeelde de rechter onlangs. (Ik betwijfel of dat correct Nederlands is: op z’n kop, op hun kop? Maar dat terzijde.) Stichting Wakker Dier had een zaak aangespannen en kreeg gelijk. Als kippen worden gevangen om in de vrachtwagens te worden gezet richting slachterij, worden ze steevast met drie tegelijk aan hun poten of vleugels opgepakt, waarna ze op hun kop in boxen worden gegooid. In strijd met de Europese Transportwet, oordeelde de bestuursrechter vorig jaar. Kippen hebben geen middenrif. Hang je ze ondersteboven, dan drukken de organen direct op de longen, en krijgen ze het benauwd. En dat is niet het enige. Dierenwelzijnsorganisatie Eyes on Animals heeft foto’s van geklemde koppen, gehavende poten, bebloede veren, en gebroken vleugels. Bovendien raken ze in paniek. 

Toen we zelf een half jaar geleden naar een kippenboer hier in de buurt reden om drie legkippen aan ons boerderijbestand (van twee paarden, twee honden en een poes) toe te voegen, wisten we dat allemaal nog niet. Maar zo ging het inderdaad: de norse eigenaar ging ons voor naar een hok waar wel vijftig kippen in zaten. Hij pakte een stuk karton, dreef er drie in een hoek, en plukte ze alle drie tegelijk – twee aan een poot, de derde aan een vleugel – van de grond, droeg de gillende dieren op hun kop naar een klaarstaande kleine kartonnen doos, waar hij ze – nog steeds op hun kop – in duwde, bovenop elkaar, waarna hij snel de bovenkant dichtdeed. Lomper kon niet. Vijf minuten later reden we naar huis.

We hadden ons ingelezen. Een bouwpakketje voor een leuk kippenhok gekocht en in elkaar gezet. Voor ’s nachts als de vossen op jacht gaan. Daaromheen een kippenren gemaakt, een soort net tussen paaltjes gespannen, van zo’n dertig vierkante meter. Voor overdag, dachten we. Een kip, zo kun je op de doorsnee website lezen, heeft vijf vierkante meter nodig om vrij rond te kunnen lopen. Dertig vierkante meter zou riant zijn dus. Al snel zagen we hoe de kippen hun uiterste best deden om te ontsnappen uit de ren. Ze fladderden eroverheen. Of kropen door de te grote gaten. Op weg naar de vrijheid. 

We hebben veel meer terrein, wel twee hectaren, waarvan een flink deel bos, dus ruimte zat. Na wat halfslachtige pogingen ze in hun ren te houden, gaven we het maar op. Tot immens plezier van de kippen. Gedurende de dag kun je ze nu overal op ons terrein tegenkomen. De grond wat omwoelen om leuke wormpjes of torretjes te vinden. Af en toe een stofbad in de droge bosgrond. Of in onze fraai aangelegde bloembedden. Soms gezellig met zijn drieën even uitrusten in de schaduw onder de appelboom. En als het regent vind je ze schuilend in hun kleine kippenhokje, onder het dakje. Zo te zien de kippenhemel voor ze. 

Verder lezend over kippen bleek dat het eigenlijk bosdieren zijn. Dat was wel duidelijk. En dat ze graag flinke afstanden afleggen met hun gescharrel. Ook dat klopte. Waar halen mensen toch zo’n soort ‘kennis’ vandaan: dat een kip vijf vierkante meter nodig heeft om vrij rond te kunnen lopen? Ze hebben een heel bos nodig! Ze leken me ook intelligenter dan gedacht. Ze begrijpen snel wie de blaadjes sla komt brengen. Ook dat ze tegen de avond opgehokt gaan worden: ze lopen al gelijk voor je uit naar hun nachthok. Ze hebben ook een taal onderling. Als de één haar ei gelegd heeft en uit het hok kruipt terwijl de anderen vijftig meter verderop aan het scharrelen zijn, klinkt er van beide kanten geroep. ‘Waar ben je?’ ‘Hier!’

Zelf kippen hebben levert wel een flink dilemma op: natuurlijk kennen we allemaal de foto’s van de legbatterijen. Het verschil met het leven zoals een kip het zelf zou kiezen – kijkend naar onze eigen kippen – is te schrijnend. Zo schrijnend dat een stukje kipfilet in de supermarkt echt niet meer kan. Hoe werkt dat toch bij boeren? Alle mensen die dieren hebben – nou ja, de meeste dan – zullen zich toch bekommeren om hun welzijn? Zich toch afvragen wat een prettig leven is voor hun dier? Maar ja, ‘tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren …’ De pluimveesector, zo las ik, heeft flinke bezwaren tegen de uitspraak van de rechter over de vangmethode van de kippen. Een kip rechtop vangen kost meer tijd. Dus meer geld. Geld. Altijd weer geld.

Een groot hart

Half mei. Alles knalgroen buiten, dankzij de overvloedige regen die ook vandaag de toon zet. Het is zo’n dag dat je zin hebt om te schrijven, maar je weet zo gauw niet waarover. Niet nog eens over de wielewaal, die zojuist is teruggekeerd uit zijn Afrikaanse overwintering. Niet weer over de puttertjes in de kersenboom, of over het nest van de gele kwikstaart op twee meter van dat van de roodstaart, allemaal daar onder de dakgoot. Eventueel over de twee vechtende ringslangen die uit diezelfde dakgoot op mijn kop vielen terwijl ik aan de koffie zat? Ach, het is allemaal schaamteloos prachtig, maar om nou elk voorjaar hetzelfde te schrijven. Veel nieuws gebeurt hier niet. 

Tijdens mijn gepeins kwam Anton het terrein oprijden, onze aannemer die al maanden werkt aan de uitbouw van onze woonkamer. Het is altijd een verrassing wanneer hij wel of niet komt. Vandaag blijkbaar wel. Anton komt uit Oekraïne, maar vertoeft al iets van twintig jaar in Frankrijk. Tijdens onze dagelijkse koffiesessies vertelde hij de afgelopen maanden, in zijn niet geheel accentloos Frans, langzaam maar zeker zijn levensverhaal. 

Op zijn vijfentwintigste had hij een vrouw en een zoontje, maar geen diploma’s en vooral: geen werk. Dus uit Oekraïne naar Frankrijk vertrokken, op zoek naar een baantje. In Parijs illegaal in de bouw geklust, slapend in de daklozenopvang. Na drie jaar ging hij voor even terug naar zijn land, omdat zijn vrouw van hem wilde scheiden. Hij fikste een Litouws paspoort om te kunnen reizen door Europa, en na de scheiding geregeld te hebben, keerde hij via Polen en Litouwen terug naar Parijs. Hij kon terecht bij een rondreizend circus, als chauffeur en klusjesman. Zo leerde hij Frankrijk kennen en de taal spreken. 

Na een paar jaar keerde hij opnieuw terug naar zijn geboorteland om een opleiding tot metselaar te volgen, waar hij zijn tweede vrouw vond, met wie hij in korte tijd twee dochters kreeg. Na afronding van zijn opleiding vertrok hij in 2007 voor de derde keer naar Frankrijk, nu legaal, en dit keer samen met zijn tweede vrouw en kinderen. Hij probeerde daar als maçonnier aan de slag te komen, maar dat viel niet mee. Zijn opleiding werd niet erkend en bovendien besloot zijn vrouw na een tijdje met dochters terug te keren naar Oekraïne. Anton bleef achter in Frankrijk, deed hier en daar wat klussen, kwam in 2013 bij een aannemer in dienst, in een dorp in de buurt van Limoges, die gespecialiseerd was in renovatie van oude gebouwen. Dat was hem op het lijf geschreven. 

In datzelfde dorp woonde Christelle, een Française die net aan het scheiden was van haar man. Enfin, ze zijn nu acht jaar samen. Anton is inmiddels achtenveertig, heeft met Christelle een dochter gekregen, zijn vierde kind, bij zijn derde vrouw. Hij kon het bedrijfje in 2017 overnemen van zijn baas, die met pensioen ging. In de tussentijd had hij alle benodigde Franse diploma’s gehaald: Technicien en Bâtiment gespecialiseerd in le Bâti Ancien.

Zijn familie in Oekraïne heeft het moeilijk, de oorlog grijpt diep in. Zijn volwassen zoon hoopt niet te hoeven vechten. Rond Kerstmis was zijn zus een tijdje hier, met haar twee zonen. Anton en Christelle zijn zo’n beetje halve vrienden geworden, dus namen ze ook zijn zus mee naar ons huis. Ze vertelde ons dat ze kleuterleidster was en vier keer per dag met haar klas de schuilkelder in moet vanwege het luchtalarm.

Christelle maakte die decemberdagen elke dag borsjt, de Oekraïense bietensoep. Ze komt geregeld mee met Anton en zo vertelde ook zij bij een kop thee haar verhaal: een verschrikkelijke jeugd vol geweld en mishandeling, ik zal de details achterwege laten. Een psychotische broer, verslaafde zus en een gewelddadige eerste man. Anton werd haar redding, hij houdt haar op de been. Hij is niet alleen een gepassioneerde, perfectionistische vakman, maar vooral ook een goed mens. Als hij ergens binnenkomt licht de boel gelijk een beetje op.

En dan hebben we nog Julien, begonnen als stagiaire bij Anton, maar nu hun enige werknemer. Hij is een jaar of dertig, al ziet hij er veel jonger uit. Hij mist zo’n beetje al zijn tanden, waardoor de eerste indruk er een is van een verslaafde. Toen hij tien was overleed zijn moeder, hij kreeg een nare stiefmoeder, en op zijn zestiende verjaardag vond hij op de keukentafel een briefje van zijn vader: dat hij vanaf nu het huis uit moest. Hij trok bij vrienden in, sliep een jaar op hun bank, deed een banketbakkersopleiding en ging aan de slag bij een patissier – nooit zo best voor je gebit, zeker als je nooit naar de tandarts gaat – en langzaam maar zeker verdwenen al zijn tanden uit zijn mond. Hij werd moe van de verschrikkelijke werktijden in de bakkerij, schoolde zich om naar maçonnier en kwam zo bij Anton terecht. 

Vorige week kwam het verbijsterend goede nieuws dat zijn oma de tandartsrekening wil gaan betalen, die geschat wordt op vijftienduizend euro. Het lijkt me zijn maatschappelijke redding. Julien was al jong getrouwd, heeft een dochtertje van drie, dat hij niet mag zien van zijn ex (hij is ook alweer gescheiden), en hij zit midden een juridische procedure om een omgangsregeling te krijgen. Anton en Christelle hebben zich over hem ontfermd, hem in vaste dienst genomen, samen met hem een ledikantje gekocht voor zijn dochter. Ze helpen hem met al het gedoe met de rechtbank. En zijn hondje mag overdag bij hen thuis zijn. 

Een groot hart hebben ze allemaal. Misschien krijg je dat als het leven je af en toe dreigt te vermorzelen. Gelukkig werken ze heel langzaam, zodat we ze voorlopig nog wel even om ons heen hebben.

Aan het eind van de dag, nadat ze waren vertrokken, boog ik me weer over mijn schrijfsel. De regenwolken waren opgelost. Onze drie kippen paradeerden weer stoutmoedig over ons terrein. Waarover toch in hemelsnaam te schrijven?

De hop, een onreine schoonheid

Wanhoppig, zou je bijna zeggen. Maar dat is inderdaad een iets te flauwe woordspeling. Toch klinkt het nu al wekenlang: hop, hop, hóp. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. De wanhopige roep om een partner. Het lijkt erop dat het goed gaat met de hop. Althans in de streek waar wij wonen, het grensgebied van de Haute-Vienne, Corrèze en Dordogne. Hoorden we hier vroeger maar zelden – en dan ook vaak slechts vanuit de verte – de onmiskenbare roep van de hop, dit jaar klinkt hij overal, elke dag weer. Nu mag de roep niet echt melodieus zijn, eerder gruwelijk monotoon, zodra je de vogel ziet is echter alles vergeven en heb je het idee dat je in het Congolese regenwoud zit. Ik geef hem een top-drie klassering, als het gaat om de mooiste vogel. 

De lange dunne snavel. De warme, bijna oranje kleur. De fel zwart-wit gestreepte vleugels en staart, die zich tijdens de vlucht aaneen scharen tot een galajurk. En natuurlijk de waaiervormige kuif, waarin aan de uiteinden het zwart-wit subtiel terugkeert. Het schijnt dat de hop een onappetijtelijke bijnaam heeft: drekhaan. Vanwege de uitgesproken stank die het dier omgeeft. De hop is een taddik, om het eens op zijn Amsterdams te zeggen. Een viezerik. Ze maken het nest zelden schoon, hetgeen in hun geval extra dramatische gevolgen heeft, aangezien het vrouwtje een klier heeft onder haar staart, waar tijdens de broedtijd een verwoestend stinkende smurrie uitkomt. Daarmee smeert ze vervolgens zichzelf en haar eieren in, om te voorkomen dat indringers het nest leegroven. Jammer voor de Vlaamse gaaien en de marters. En voor de koekoek natuurlijk, die haar jong geluk niet wil laten opgroeien in een stinkhok, denk ik zo.

Over de koekoek gesproken. Precies op 1 april hoorde ik die hier weer voor het eerst. Best vroeg in het jaar. Het was de dag van de belachelijke sneeuwstorm, toen het hele gebied hier onder een halve meter sneeuw was verdwenen. Ik was even bang dat hij of zij gelijk rechtsomkeert had gemaakt, terug naar warm Afrika, want de dagen daarna hoorden we niets meer. Maar een dag of wat later bleek toch dat ze hadden besloten te blijven. Weer twee weken later meldde ook de wielewaal zich, en kort daarna dus de hop. Het luidruchtige Afrikaanse gezelschap was gelukkig weer compleet. 

De hop dus. Al in de Bijbel genoemd, als een van de onreine dieren die niet mogen worden gegeten. Laat nou uitgerekend de hop tot de nationale vogel van de staat Israël zijn verkozen. Maar naast deze negatieve Bijbelse associatie heeft de hop ook al sinds eeuwen een positief imago. Dat heeft – naast het fraaie uiterlijk – te maken met hun trouwe familiebanden. Als vader en moeder hop ouder worden, gaan de jongen namelijk voor de ouwetjes zorgen: ze strijken hun veren glad, likken hun ogen opdat ze beter zien, voeden en verwarmen hen. En dat spreekt auteur dezes – zojuist 69 jaar oud geworden – wel aan. De stank nemen we dan maar voor lief.


De jacht is weer geopend

Niet alleen onze koning mag weer knallen, in ‘zijn’ Kroondomein. Ook hier in de Haute-Vienne is afgelopen zondag het jachtseizoen begonnen. Overal in de bossen om ons heen klonk plots het opgewonden gehuil van de eindelijk vrijgelaten honden. Het was de dag na de twintigjarige herdenking van 9/11. Deze keer geen onschuldige burgers als doelwit, maar onschuldige dieren. Arme reeën, vossen, konijnen, fazanten, dassen, marters, patrijzen, edelherten. Hun rust is weer voorbij, het komend half jaar. Geen schijn van kans tegen de oranje hesjes van het Franse platteland. 

Buikige mannen in hun jagerskloffie, buks over de schouder, de ouwetjes wachtend op een bospad, de jonkies almaar heen en weer rijdend in het land. In de verte hoorde ik ’s middags een sirene van de pompiers. Een jager in zijn bil geschoten? Goede kans, want tussen de middag trekken ze zich altijd terug in hun jachthut voor een uitgebreide lunch. En om half drie zie je ze weer verschijnen, ietwat onzeker op de benen na zo’n welbesproeide maaltijd, en hup, het bos weer in met hun autootjes – niet zomaar de nette doordeweekse wagen, maar hun speciale jachtjeepje, met achterin het hek voor de honden. 

Het is een delicaat evenwicht, dat tussen traditie en vooruitgang. Het aardige van Frankrijk is natuurlijk dat het een conservatief land is. In Nederland zijn alle ooit authentieke dorpjes omgetoverd in Vinex-wijken, industrieterreintjes en rotondes. Die Franse hang naar traditie zorgt hier voor het typische Franse dorp: een dorpsstraat, een mairie, een jongens- en meisjesschoolgebouw, een postkantoor en een monument voor de gevallenen. Soms een prachtig gerestaureerd stationnetje, dat in Nederland allang zou zijn platgebulldozerd en vervangen door een triest modernistisch stukje architectuur. Maar diezelfde hang naar traditie zorgt dus ook voor het in stand houden van de jacht. Je zou zeggen, dat sterft vanzelf wel uit – ze schieten bovendien elk jaar wel zo’n veertig van hun eigen jagerscollega’s overhoop – maar er komen ook steeds weer jonge boerenjongens bij. Helaas.

Voor ons betekent het: niet meer op zaterdag en zondag op de mountainbike of op ons paard het bos in. Laat staan een wandeling met de honden. Dus hadden we maar even gewacht tot maandag. We liepen op die mooie septemberochtend achter ons huis het bos in, waar alles weer een beetje toegankelijk is na een half jaar houtkap. Alle kastanjeboompjes zijn gekapt, om paaltjes van te maken. Dat gaat tegenwoordig met enorme machines, die zich een weg door het bos beuken, waar ze met een ingenieus apparaat in no-time een boom bij de voet omarmen, afzagen, optillen, op een stapel leggen en vervolgens met diezelfde machine stammetjes van precies twee meter maken. Soms gooien ze de afgezaagde stammen op het pad, zodat er niemand meer door kan. Maar nu hebben ze eindelijk de boel opgeruimd en kunnen we onze routes weer oppakken.

Deze winter is het mannetje overleden dat hier in het bos een flink terrein met een enorme moestuin had. Het was zijn laatste stukje bezit hier. Ruim tachtig jaar geleden vlakbij geboren, zijn hele leven in het gehuchtje verderop gewoond, op de boerderij van zijn vader en later van hem. Maar de laatste tien jaar in een verzorgingstehuis in de dichtstbijzijnde stad. Zo lang het kon kwam hij af en toe met zijn bestelwagentje naar zijn moestuin gereden om erin te rommelen. En om een paar jerrycans water te halen uit zijn bron. Hij had een bron op zijn terrein en dronk zijn hele leven al geen leidingwater – vertrouwde hij niet – alleen maar water uit zijn eigen bron, niets anders. We spraken hem geregeld en hadden hem een tuinstoel gegeven, om lekker in het zonnetje uit te rusten. 

Maar goed, het ging steeds slechter met hem – hij had het aan zijn hart – en we hadden hem al een tijd niet meer gezien, toen we deze afgelopen maandag een wit bestelwagentje zagen staan bij zijn stuk grond. We liepen eropaf, verheugd. Maar toen we dichterbij kwamen, bleek het Cantin te zijn, het boefje van onze streek. Een scharrelaar. Toen we hier pas kwamen, werden we gewaarschuwd voor hem. Hij zou niet helemaal deugen. Had geen werk, dronk nogal, en scheen aan de kost te komen door de restaurants in de streek te voorzien van haas, fazant, wilde eend, ree, rivierkreeftjes en natuurlijk paddenstoelen, kastanjes, walnoten en wat er nog meer door de natuur werd aangeboden. Alles niet geheel legaal, zo begreep ik. Hij was toen een jaar of veertig, woonde nog bij zijn moeder, samen met zijn zwakbegaafde zus. Cantin had ze ook niet helemaal op een rij, maar iets minder desastreus. Enfin, hij is inmiddels zestig, heeft een blauwe maandag gewerkt als chauffeur bij de bloedtransfusiedienst, maar heeft zich af laten keuren en rommelt weer lekker verder. Een paar jaar terug heeft hij eindelijk een vrouw gevonden, na een ‘vakantie’ in Burkina Faso. Hij had het al eens eerder met een Russische geprobeerd, maar die was al snel vertrokken, mét zijn tweedehands Mercedes.

Nu stond hij aan het hek te rommelen, terwijl we hem van achteren naderden. Labrador Pomme barstte uit in een onheilspellend geblaf. Geschrokken draaide Cantin zich om en licht ongemakkelijk begroette hij ons. “We dachten dat het mannetje er weer was,” zei ik. “Nee, hij is dood,” antwoordde hij op zijn meest verdrietige toon. “Ach jee!” “Ja, zijn hart.” We wisselden even onze ervaringen met hem uit. Cantin leek wel te begrijpen dat hij iets moet zeggen om te verklaren wat hij daar deed. “Ik keek even of er al paddestoelen waren,” verzon hij tenslotte. “Beetje vroeg, lijkt me?” “Ja, dat is waar, maar ça va venir!” Dat was ook weer waar. Ik keek even naar het slot dat op de ketting zat. Het zat nog dicht. We wensten hem een fijne dag. “Pareillement!” We wachtten even tot hij met zijn bestelautootje het bospad afreed. Herfst op komst.

Na de avondklok

Het moest er een keer van komen, altijd gevreesd, nooit gebeurd. Maar nu, een nieuwe keuken aan het bouwen, einde van de dag, moe na uren klussen, bijna donker, nog even een gaatje boren, om een steun aan te brengen voor het keukenblad dat ik er morgen op zou leggen. Ik pakte mijn Makita klopboormachine, zette er een 6 mm steenboortje in, en toen ging het mis. 

De boor schoot door het muurtje heen – was het gipsplaat of een soort pleisterwerk? – en raakte iets hards. Ik zette aan om de weerstand te overwinnen, en opeens spoot er een fontein uit de muur. Door het kleine zes millimetergaatje golfde onder een onvoorstelbare druk een gigantische hoeveelheid water de keuken in. Gillend, vloekend en schreeuwend – ik was gelukkig alleen – rende ik het huis door, naar buiten, gooide het betonnen deksel opzij en draaide de hoofdkraan dicht. Rende terug naar de keuken die in die korte spanne tijds was gaan lijken op gebombardeerd Beiroet. Overal droop het water vanaf. Een rivier stroomde door de deels reeds aangelegde kastjes. Wanhopig gooide ik handdoeken op de plassen. C. kwam thuis met de honden en concludeerde laconiek: “Wat nu?”

Enfin, shit happens. Of om Jacques Chirac te citeren: “Les emmerdes, ça vole toujours en escadrille”. Het was inmiddels avond. De hoofdkraan was dicht. Er zou niets meer gebeuren, maar we hadden toch echt wel water nodig. Michel bellen. Michel is onze artisan hier. Moeilijk vertaalbaar, ja, een ambachtsman. Dat was hij zeker. Maar in Nederland zou je hem eerder een aannemer of klusjesman noemen. Geen van beiden dekt de lading. Hij neemt alle soorten werk in en om het huis aan. Metselen, loodgieterswerk, elektriciteit, tegelen, vloeren aanleggen, terrassen, muurtjes, ramen, kozijnen, deuren, alle timmerwerk. Samen met Julien, zijn zoon. Hij heeft hier zo’n beetje alles wel gedaan. Op zijn gemak, nooit op tijd klaar, maar altijd goed werk leverend en heel gezellig bij de koffie. 

Konden we hem nu nog bellen? Het was inmiddels 19.00 uur, hij had er al een lange werkdag op zitten. Bovendien na de couvre-feu, de avondklok. Hij kwam er gelijk aan, riep hij. Drie kwartier later stopte zijn gammele witte vrachtwagentje voor ons hek en strompelde Michel het terrein op. Wat er aan de hand was? Ja, hij had in een spijker gezeten met zijn knie. Was gaan ontsteken. Hij heeft altijd wat, Michel. Hij is een jaar of zestig, en zijn lichaam is op, na vijfenveertig jaar klussen. Af en toe moet hij zich laten opereren, maar liever niet, want hij krijgt geen ziekte-uitkering. Om zich daarvoor te verzekeren als patron van zijn eigen bedrijfje – hij heeft één werknemer, zoon Julien – schijnt te duur te zijn. Dus hij werkt door met een versleten schouder, vergroeide gewrichten in zijn polsen en zijn handen, scheve wervels en weet ik wat allemaal niet meer. 

De rust die hij uitstraalde, terwijl hij het door mij veroorzaakte slagveld aanschouwde. Keek me glimlachend aan met zijn pretoogjes en liet zijn zoon zijn gereedschapstas en de soldeerbrander met een flinke ouderwetse gasfles uit de camion halen. Grapjes makend beitelde hij om het zesmillimetergaatje een iets groter gat in de muur, tot de koperen leiding zichtbaar werd. ‘Hoe kleiner, hoe beter’, mompelde hij. We konden het gat in de leiding zien. Michel schuurde het oppervlak, zette zijn brander aan om de boel schoon te branden, pakte een soldeerstaaf en soldeerde, ondanks de enorme vlam, met een verbijsterende precisie het gaatje weer dicht. “Morgenochtend even voelen, Leo. Als het droog is, dichtpleisteren en op die plek nooit meer boren, afgesproken?”

We dronken nog een kop koffie en bespraken de voortgang van de vaccinaties in Frankrijk. Er zijn hier nog steeds 30.000 besmettingen per dag en 80% van de IC-bedden zijn bezet met COVID-patiënten. Maar Julien – inmiddels een jaar of vijfendertig – is een revolutionair. We hebben in Nederland een paar virusgekkies die achter Baudet aanlopen, maar in Frankrijk heeft de overheid te maken met een tsunami aan achterdocht en argwaan. Julien is de vertegenwoordiger daarvan. Natuurlijk laat hij zich niet vaccineren. Hij gelooft er niets van dat het veilig is! “Kijk naar Sarkozy die nu de cel in moet omdat hij zo corrupt als de pest was. Mitterand, Hollande, Macron, allemaal hetzelfde. Ik geloof die gasten voor geen cent.” Ik doe een poging om hem op zijn verantwoordelijkheid te wijzen (IC’s te vol) en om te ontzenuwen dat de vaccins gevaarlijk zijn (onderzoek). Maar je kent de antwoorden, van de Trumps, de Bolsonaro’s en de Baudets. Hadden ze maar niet moeten bezuinigen op de IC-bedden. Geloof jij die onderzoeken? Pa Michel is wat kalmer, maar ook hij zegt nog maar even te wachten met een prik. Dat gaat hem niet worden hier.

Ze rijden het donker in, naar huis. Vergat hem te vragen wanneer hij nou met het terras verder gaat. We wachten nu drie jaar. De stenen zijn twee jaar geleden gebracht. Een jaar later de betonijzers. Weer een half jaar later hebben ze het gras weggehaald en de bekisting geplaatst. Drie maanden terug het beton gestort. Nu is het wachten op het leggen van de tegels, van die mooie, natuursteen uit de streek. Het zal vast prachtig worden. O ja, en die offerte voor het plafond op zolder. En voor de nieuwe garagedeuren. Maar ach, we konden weer douchen. Goud waard zijn ze, die ambachtslieden.

Een droevig kerstverhaal

December. Het vriest ’s nachts en de eerste sneeuwvlokken zijn al gevallen. De eerste kerstbomen zijn ook alweer tegen de gevels gekwakt. Men heeft hier een eigenaardige vorm van kerstversiering in de straten. Waar ze vandaan komen weet ik niet, maar ik denk gewoon uit het bos: opeens hangen er verfomfaaide sparretjes tegen de regenpijpen, met een touwtje vastgebonden. Ze worden niet in de grond bevestigd of van een voet voorzien, nee, ze leunen schots en scheef als een hangjongere tegen de gevels. Straks volgen de slingers, die zo weet ik van voorgaande jaren, er eveneens losjes in gedonderd worden en vooral glitterblauw zijn. Hier en daar zal als klap op de vuurpijl een strik aan een enkele tak gebonden worden. Voilà

Maar er staat wel iets tegenover. Zou je in een sombere bui de kerstversiering van een dramatische en troosteloze eenvoud kunnen betichten, in de supermarkt word je er weer bovenop geholpen. Er wordt werkelijk uitgepakt: alle lekkernijen die je maar kan bedenken, en die je door het jaar heen hier nooit zal tegenkomen, liggen in december opeens in overvloedige hoeveelheden in de winkel uitgestald. Vooral de visafdeling is hemels: gamba’s, langoustines, oesters, sint-jakobsschelpen.

Kerstmis op komst. De laatste formaties kraanvogels trekken over ons heen, luid gillend, op weg naar warmere streken. Ze zijn laat dit jaar, misschien als gevolg van de steeds hogere temperaturen in Siberië, of waar ze ook vandaan komen. Op onze dagelijkse wandeltochten in de bossen ontwaren we steeds meer en vaker herten, nu het meeste blad wel is gevallen. Onlangs hadden we een serieuze ontmoeting. We beklommen een heuvel met aan weerszijden van het pad jonge kastanjeboompjes. Het was steil dus stapten we stil, licht hijgend, achter elkaar aan, de honden wat vooruit. Plotseling werden de honden onrustig. Meestal als ze een dier ruiken is het een ree en rennen ze de geursporen achterna. Maar nu deinsden ze opeens terug en kropen angstig achter onze benen. Terwijl we stil doorklommen hoorde ik naast ons een zwaar ritselend geluid tussen de ons omringende boompjes. Veel zwaarder dan een ree. Een everzwijn? Opeens zagen we hem staan, een enorm edelhert, een cerf in het Frans. Het leek wel een eland, met zijn enorme gewei. Ze zijn er, dat is zeker, maar je ziet ze niet vaak. In de zeventien jaar dat we hier komen was dit de tweede keer. Hij keek ons rustig aan – ‘geen gevaar’ was zijn conclusie wellicht – en wandelde op zijn gemak weg. En liet ons opgetild achter.

Soms kom je herten tegen onder minder prettige omstandigheden. Op een zaterdag maakten we een wandeling wat verder van ons vandaan, in de buurt van Benayes. Prachtige, zonnige ochtend. Op zeker moment liepen we op een schuur af waar aardig wat auto’s voor geparkeerd stonden. Dan weet je het wel als het weekend is: jagers. Het was inmiddels lunchtijd en we hoorden al van verre dat ze aan de dis zaten. Drankje erbij. Toen we de schuur passeerden zagen we ze zitten, aan een grote tafel. Ze leken tevreden. Van de schuur ernaast stonden de grote deuren open, en daar zagen we ze hangen, twee reeën, gevild en al. Ze hadden de ochtend niet overleefd. Een jonge jager kwam naar buiten en liet ons met trots hun buit zien. 

Het leven van een hert in Frankrijk valt niet mee. Direct achter ons huis woonden sinds april een moeder en twee jonge reeën. We verrasten het drietal geregeld op onze ommetjes en zagen de twee kleintjes opgroeien. Van bibberend op hun dunne beentjes tot al best stevige pubertjes. Sinds de start van het jachtseizoen hielden we elk weekend ons hart vast, en haalden opgelucht adem als we ze de week erna weer gedrieën door de heuvels zagen rennen. Maar eergisteren eindigde het sprookje. We kwamen terug van een wandeling en zagen opeens de moeder in paniek door een paardenwei vlakbij ons huis rennen. Even later zagen we een van haar kleintjes die haar probeerde te volgen radeloos zigzaggend over de weg op ons afkomen. Ze boog af en dook het bos in. Toen we doorliepen hoorden we een telkens terugkerend gebonk. Toen we dichterbij kwamen konden we zien wat er gebeurd was. Het tweede jong had zichzelf klem gelopen op een stalen hek dat een pad afsloot dat naar een privé-meertje leidde. Ze bleef in blinde paniek tegen het hek aan dreunen tot ze erbij neerviel. Toen we bij haar waren, ademde ze nog maar heel zwak, een paar tellen later was ze dood. We voelden haar nog warme vacht, streelden haar zachte grote oren, en Pomme, onze labrador, snoof zachtjes aan haar neus. Zeven maanden goed opgelet en nu door zoiets stoms – ze had gemakkelijk aan de zijkant langs het hek kunnen ontsnappen – het leven gelaten. We legden haar voorzichtig in het struikgewas. De volgende dag was het al verdwenen. Een kilometer verderop vond Pomme een aangevreten achterpoot. De vergeefsheid van alles.