Dit wordt, beste lezer, een wat smerig stukje. U kunt nog terug. Op een dag zag ik in het weitje aan de rand van ons bos een paar vreemde ronde gaten in de grond. Ze waren zo’n vijftien centimeter doorsnee en ongeveer even diep. In sommige daarvan was een keurige drol gedeponeerd. Nieuwsgierig geworden naar de ‘dader’ hingen we een wildcamera op, met goed zicht op de gaten.

Het bleek een dassenfamilie te zijn die hier hun wc’s hadden gebouwd, om – zoals wij langs de autoroute – hun behoeften te doen op hun nachtelijke tochten op zoek naar voedsel. Het schijnt, zo leerde ik, dat ze op verschillende punten aan de randen van hun territorium een aantal latrines graven, om ’s nachts te vullen. Waarschijnlijk om aan andere dieren – die wellicht walgen van de geur en aanblik van deze gevulde latrines – duidelijk te maken: dit is ons gebied.
De interessante kwestie is natuurlijk: waarom zo netjes in die ronde gaten van vijftien centimeter? Ze zouden hun drollen ook gewoon in het gras kunnen deponeren, zoals zoveel dieren doen. Blijkbaar houden dassen van netjes. Verder lezend over dassen blijken ze inderdaad ook thuis van proper te houden. De verschillende kamers in hun burcht worden netjes gestoffeerd met gras, mos, bladeren, dennennaalden en varens, hetgeen allemaal regelmatig wordt ververst. Een afkeer van viezigheid, dus.

Het doet me denken aan Bibi, onze frêle Franse poes. Die besteedt zeker een derde van de dag aan haar toilet. Elk onderdeeltje van haar poezelige vacht wordt honderd keer gewassen. Vaak krijgen eerst de pootjes een goede beurt, zodat ze daarmee haar gezichtje kan oppoetsen. Waarna ze minutieus de rest van haar lijfje onder handen neemt. Men zegt dat die properheid nodig is bij poezen omdat ze een prooi moeten kunnen besluipen zonder dat hun lichaamsgeur ze verraadt. Maar daar geloof ik niet zo in: volgens mij heeft ze gewoon een afkeer van viezigheid. Zo loopt ze vaak in ons bos, als de grond nat en modderig is, met hoog opgetrokken pootjes, elk druppeltje nadrukkelijk afschuddend, alsof ze in de poep heeft getrapt. En dekt ze al haar plasjes en drolletjes netjes af door er met veel geduld gras of aarde overheen te schrapen.
Dat dieren walging kennen is overduidelijk. Neem Pomme, onze jongste labrador. Wanneer ze bezig is met het leggen van haar grote boodschap, straalt ze overduidelijk afkeer uit: ze poept wijdbeens een drol uit, doet een paar stappen, nog een drol, enzovoort. Tot ze klaar is, waarna ze niet weet hoe gauw ze van de plek des onheils weg moet hollen. Ik kan me daar overigens goed in verplaatsen. Toen we nog op de Frans van Mierisstraat woonden en ik dagelijks op de Reijnier Vinkeleskade rondliep met Saar, onze eerste labrador, ontkwam ik er niet aan. De poepzakjes! Het is goed dat destijds niemand mijn gelaatsuitdrukking heeft gefotografeerd op het moment suprême. De zachte, warme hoop in je handen, voelbaar dwars door het plastic heen. Oef!
Het vreemde is wel dat onze honden allebei de neiging hebben om zich zo nu en dan in extreem stinkende uitwerpselen van een onbekend dier te rollen. Verschrikkelijk! Een douchebeurt met flink veel shampoo is het enige dat rest. Een redelijk onbegrijpelijk fenomeen. Waarom doen ze dat? Een van de theorieën is dat honden mogelijk in die viezigheid rollen om hun eigen geur te maskeren. Dat zou het vervolgens makkelijker maken om herten en andere prooidieren te besluipen. Eerlijk gezegd lijkt me dat evenzeer onzin: ik heb nog nooit een hond een prooi zien besluipen. No way, die hollen net zo lang blaffend achter een prooi aan tot die erbij neervalt. Dus nee. Misschien vinden ze het gewoon lekker, wie weet? Maar ik dan weer niet. Walgelijk!
Of dieren ook kunnen walgen van het gedrag van anderen is weinig onderzocht. Ik las wel over een Japans onderzoek waarin kapucijnapen geconfronteerd werden met een rollenspel, waarbij een onderzoeker moeite had met het openen van een plastic bak en om hulp vroeg aan haar collega. Eerst kreeg zij daadwerkelijk hulp van een vriendelijke collega, vervolgens negeerde een andere collega haar vraag om hulp. De apen weigerden na het zien van de scène ook nog maar iets te maken te hebben met de laatste.
Dus wellicht kennen zij het fenomeen van morele afkeer. Iets waar wij mensen goed in zijn. In mijn Amsterdamse dagen kwam ik bij het uitlaten van onze labrador op de kade geregeld een man tegen, samen met zijn pas aangeschafte hond. Zijn hond bleek iets vreemds te doen: hij at zijn eigen poep op. Nu zou dat te voorkomen zijn als de eigenaar telkens bijtijds de uitwerpselen oppakte en in een zakje stopte. Maar dat deed hij niet. Hij liet zijn hond lekker zijn gang gaan; hij had allerlei belangrijke telefoontjes te plegen over zijn aandelenpakket, of zoiets. Wat deed de eikel na een paar maanden? Hij ruilde zijn hond in voor een ander, iets netter exemplaar. Dégoûtant, zou mijn zevenjarige buurmeisje zeggen, in haar jaloersmakend mooie Frans.