
Net klaar met ruim honderd meter haag snoeien. Vroeger deed ik dat in twee dagen. Nu ben ik er weken mee bezig. Elke dag – als het aardig weer is – een stuk. Toen we dit huis kochten, ruim twintig jaar geleden, was er de bekende Franse afscheiding tussen ons terrein en de weg: om de twee meter een betonnen paaltje, waar van dat witte gaas aan was bevestigd. Nul privacy. Dus een van de eerste dingen die we hier deden was een haag planten over de gehele lengte langs dat hek.
In die dagen reden we nog met enige regelmaat op en neer naar Nederland en namen we telkens wat vlechthegpakketten mee terug. Gemengde bosjes wilde planten, zoals hazelaar, kornoelje, lijsterbes, Gelderse roos, haagbeuk, zomereik, wilde liguster en meidoorn. Er waren pakketten mét en zonder doornen. Ik nam ze allebei. Was nog een aardig werkje om die in de grond te krijgen, aangezien de bodem hier vooral uit keien bestond. Maar ach, ik was net vijftig, dus…
Toen alles een beetje gegroeid was begon het jaarlijkse ritueel: het snoeien van de haag. Na een paar jaar kwam ik erachter dat ik beter niet de pakketten met doornachtige planten had kunnen nemen. Want na het opruimen van de gesnoeide takken was steevast de band van de kruiwagen lek. Dus in de loop der tijd alle meidoorn en andere doornige struikjes er weer tussenuit gehaald. Ik bleef lekker bezig zo. Maar… het was al met al een mooie gemengde haag geworden.
Een flinke jaarlijkse klus dus, het snoeien. In het begin altijd in de herfst. Een prachtig seizoen hier. Warm en zonnig. Ik herinner mij zo’n snoeibeurt waarbij ik mezelf flink in het zweet had gewerkt en steeds meer kleren had uitgetrokken, tot ik nog slechts in een korte broek op mijn keukentrapje stond. Ik liet de haag namelijk altijd te lang doorgroeien, zodat ik er niet meer staande bij kon. Dus moest ik telkens op een keukentrapje klimmen en met de best zware elektrische heggenschaar boven mijn macht zo ver mogelijk reiken om overal bij te kunnen. Vermoeiend. Meestal knipte ik dan ook, tegen het einde van de klus als ik echt moe werd, het verlengsnoer doormidden, zodat de stoppen doorsloegen en ik een half uurtje kwijt was aan het repareren van het verlengsnoer.
Maar ik dwaal af. Terwijl ik daar op mijn keukentrapje stond, in die door God gegeven rust, kwamen opeens, uit het niets, twee dames aanlopen. Er komt hier nooit iemand langs, laat staan lopend. Maar nu kwamen er twee vreemde feeën aan, gekleed in lange rokken tot de enkels, met in hun handen allebei een boekje. Het was mij, zonder dat ze nog een woord gesproken hadden, meteen duidelijk dat ik hier te maken had met een Franse versie van de Jehova-getuigen. Het had even geduurd, maar ze hadden me hier dan toch gevonden! Het leek alsof ze door God zelf uit de hemel waren neergelaten, om mij op deze mooie middag wat dichterbij een eeuwig leven te brengen. Toen ze vlakbij waren, zei ik ze in mijn beste Frans beleefd gedag.
“Veel werk, zo’n haag”, zo opende de langste dame de conversatie.
“Zeker. C’est du boulot!”
“Wel mooi weer”, voegde de kleine toe.
“Dat is zeker waar”, beaamde ik, terwijl ik snel mijn T-shirt aandeed.
De beide dames hadden zachte, zoetgevooisde stemmen. Vleierig complimenteerden ze mij met mijn Frans. “Zoveel beter dan de Engelsen”, zei de kleinste van de twee. Geschrokken door de impulsiviteit van haar collega, haastte de lange statige dame verontschuldigend te vragen of ik wellicht een Engelsman was.
“Non, Hollandais.”
“Ah,” ze pakte direct door. “Kent u de bijbel?”
“Maar natuurlijk. Wie niet?”
Ze toonde mij de boekjes die ze in hun handen hadden, en legde uit dat daarin stond geschreven dat het einde der tijden was aangekondigd. Op 20 december aanstaande, om precies te zijn.
“Dat zou jammer zijn”, mompelde ik.
Dat vond zij ook. Maar, zo vulde ze mij aan, in die boekjes stond ook geschreven dat er een uitweg was! Verwachtingsvol keek ze mij aan. Ik begreep dat het mijn beurt was, draaide er wat omheen en zei dat mijn Frans misschien op het eerste gezicht wel wat leek, maar dat het lezen van Frans voor mij toch nog wel gecompliceerd was.
“Oh, dat geeft niets. Met plezier stuur ik u een paar adressen in Nederland, waar ze u van diezelfde boekjes in uw eigen taal kunnen voorzien,” riposteerde zij soepel. De kleine knikte mij stimulerend toe.
Ik greep mijzelf bij elkaar, klom van mijn trapje af en maakte de dames op mijn meest sympathieke manier duidelijk dat ik – désolé, désolé – geen enkele interesse had in hun ongetwijfeld zeer ware woorden. Ze knipperden zelfs niet even met hun ogen. Ook dat gaf niets. Ik had ze, zo leek het, in één klap overtuigd van het feit dat er niet veel viel te halen bij deze halfnaakte, zweterige Hollander. Zonder een spoor van teleurstelling of ergernis, wandelden ze, even vriendelijk als ze waren gekomen, weer weg. Ik keek ze na, min of meer verwachtend dat ze zouden opstijgen, maar dat deden ze niet, tenminste niet voordat ze achter de bocht in het weggetje waren verdwenen. Ik pakte de heggenschaar, klom op mijn trapje en ging verder met de haag. Een meidoorn – het was nog voordat ik de haag had opgeschoond van de doornachtigen – prikte me ongenadig in mijn vinger. God’s straf?
Ik heb ze nooit meer gezien sindsdien. Sowieso is de herfst niet meer wat het was hier. Natter. Om nou in de regen te gaan staan snoeien. Dus begon ik het snoeien uit te stellen. De laatste jaren doe ik het in februari, zo ook de afgelopen tijd. Inmiddels met een draadloze heggenschaar, op een accu. Elke dag een stukje. Net zeventig, dus…